BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN

 

 

Taal en Rijm, deel 1

 

 

O, vreemdeling, die onze taal bestudeert.

Lees verder. Ik wed dat deze rijm je wat leert.

‘K hoop niet dat het je tegen zal vallen.

Zo spreekt men van bal en ballen, maar ach, niet van: dal en dallen.

En ’t enkelvoud, beste vreemdeling, van koeien is: koe.

Een boef draagt wel boeien, maar wat is dan een boe?

En onze dichter Vondel, je weet het wel, schreef prachtige reien,

maar niemand in een lunchroom zal ooit bestellen: eien.

Kinden is niet het meervoud van kinderen,

zo ook kent de wind niet als meervoud: winderen,

wel het lam, dat worden weer lammeren.

Zo kom je jezelf tegen op lastige paden en niet op paderen.

Rad dat wordt geen reden maar raderen.

En stad geen staden maar steden.

Zo is ook vad niet de stam van vaderen.

Ook heb je wel potten maar zeg nooit slotten.

Niemand zal spreken over marmoten of lotten.

De boer op het land draagt klompen en geen schoenderen.

Het meervoud van krent is eenvoudig: krenten.

En van een krant is het: kranten.

Maar een vent in het meervoud; dat zijn kerels! En zeker niet venten.

Een man die naait is een kleermaker, maar een vrouw heet toch naaister.

Zo is een man die schildert een schilder, maar een vrouw die schildert is een schilderes.

Een koning zijn vrouw heet koningin.

Bij het dievenechtpaar is hij de dief en zij de dievegge.

Een schip wat klein is noemt men geen schipje, maar een scheepje.

Maar het verkleinwoord van zweep is gewoon zweepje.

En een schop wordt een schepje!

Ook met werkwoorden is het oppassen geblazen.

Je zult het wellicht al weten. Ik hoop althans dat je ’t wist!

Ik hoop dat je heden lekker zult eten, maar dat van gisteren is niet íst!

 

Volgende keer deel 2 en deel 3 van het toch wel rare Nederlands.

 

Annet Leijten, Maart 2007

 

Home

 

 

 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN