logo (7)

 

“Alleen kerk en kaai zijn nog hetzelfde”

 

 

quintus-2

 

Invasie in huize Quintus.

 Rinus nam dochter Adrianna, schoonzoon Justin, kleindochters Lauren, Eve en Catharina en haar man Chris mee.

 

 

 

quintus-1

 

Sjef (links) was er al die tijd blijven wonen, nu is ook zijn oudere broer Rinus Quintus, terug in zijn geboorteplaats.

 Na bijna zestig jaar staat hij weer op Steenbergse grond.

 

 

STEENBERGEN - Toen hij hem vastpakte op Schiphol en eens goed naar hem keek,

zag Sjef Quintus in zijn broer weer even de soldaat die hij bijna zestig jaar geleden was.

 

 

Dat was het moment geweest dat ze elkaar voor het laatst in de ogen hadden gekeken. 17 februari 1949, precies op de dag dat Sjef zeven jaar werd, is Rinus vertrokken. Uit Steenbergen, uit Nederland, uit Sjefs leven. Rinus was twintig toen en moest, zoals veel dienstplichtige soldaten, de boot op, naar wat nu Indonesië heet. Een wekenlange tocht was het, op het schip De Waterman. Maar van de geplande terugtocht kwam het niet. Pas afgelopen weekeinde zette Rinus Quintus voor het eerst weer voet op Nederlandse bodem. “Na een jaar in Indonesië konden de soldaten van onze compagnie kiezen. Of je bleef nog zes maanden in dienst om vervolgens naar Nederland terug te keren. Of je kon naar Canada, Australië of Nieuw-Zeeland. De overheid betaalde de boottocht, je soldij van een jaar kreeg je mee. Er zou in die landen werk genoeg zijn. De keus was snel gemaakt. Ik wilde wel naar Nieuw-Zeeland. Werk was er inderdaad. Op een boerderij vond ik een fijne job. Met z'n drieën melkten we iedere dag honderdtwintig koeien. Ik had het er naar mijn zin.” Rinus Quintus, tachtig jaar nu, spreekt zes decennia na zijn vertrek nog behoorlijk goed Nederlands. Nou ja, het is eerder Steenbergs, vindt zijn broer Sjef (66). “Dat kan ook niet anders. Toen hij vertrok, bestond Algemeen Beschaafd Nederlands hier nog niet.” De broers lachen, zoals ze zowat het hele gesprek zichtbaar plezier hebben. Bij Rinus, tachtig jaar inmiddels, maar naar eigen zeggen gezond van lijf en leden, spreken vooral de vrolijke kijkers. Pure pretoogjes. Sjef had er in 1950, toen hij hoorde dat Rinus in Nieuw-Zeeland zat, nog geen benul van dat zijn broer zo'n beetje voor altijd zou wegblijven. Maar de jongeling op vreemde grond, die bij aankomst nog geen drie woorden Engels sprak, had intussen zijn oog laten vallen op het buurmeisje van zijn werkgever. De Nieuw-Zeelandse zag die Hollandse knul ook wel zitten. Pakweg een jaar later waren ze getrouwd. De boodschap dat zoon Rinus niet zou terugkeren, kwam in huize Quintus hard aan. “Vooral mijn moeder had het er moeilijk mee,” weet Sjors nog. Toen in de loop van de jaren vijftig ook nog twee andere broers een bestaan in Nieuw-Zeeland verkozen boven de Steenbergse geboortegrond, namen vader en moeder Quintus een radicaal besluit: dan gaan we er allemaal heen!

 

“Het was 1958,” zegt Sjef. “We hadden allemaal al Engels geleerd. Ik was een jaar of zestien en dat avontuur zag ik wel zitten. Tot een bericht van de Nieuw-Zeelandse overheid kwam.” Het betrof een onheilstijding: de familie kon niet worden toegelaten. Vader was volgens de wet te oud om nog als kostwinner een gezin mee het land in te nemen. Wég was de droom van hereniging. Eén vrouw uit Steenbergen is er achteraf niet rouwig om. Julia was rond die tijd nog ‘totaal niet in beeld,’ nu geniet ze volop mee van de ‘kiwi-inval’ in haar huis. “Het is een gek idee dat ik anders nooit Sjefs vrouw zou zijn geworden.” Zoals het voor veel Steenbergenaren misschien een gek idee is dat ze anders nooit Jan Quintus (een inmiddels overleden broer) hadden gekend, jarenlang dé schoenmaker, in de Blauwstraat. Pa en ma Quintus wilden hoe dan ook zien wat er van de nakomelingen geworden was. Twee jaar na het stranden van de emigratieplannen maakten zij de reis alsnog, als een combinatie van vakantie en reünie. Zes weken zaten ze op de boot: via Middellandse Zee, Suezkanaal en Indische Oceaan naar de kust van Nieuw-Zeeland. Ze bleven er een halfjaar, om daarna langs de andere kant – via het Panamakanaal – terug te keren. Sjef bleef thuis. “Mijn broer en ik werkten in Limburg, in het weekeinde sliepen we bij onze zus in Steenbergen.”

 

 

 

image001

 

Gummaruskerk

 

 

Steenbergen, Rinus zou het stadje waarin hij opgroeide bijna niet meer herkennen. De Gummaruskerk ja, die stond er toen ook al. En de haven (‘The quay’) lijkt ook nog een beetje op hoe die toen was. Maar verder? Zelfs het ouderlijk huis, net buiten Steenbergen richting De Heen, is onherkenbaar veranderd. “Het is verbouwd, er staan andere bomen. Het is vreemd om hier weer te zijn.” Zoals alles een beetje vreemd is, wanneer je een ander land gewend bent. De drukte, de vlakte van het landschap, de rijtjeshuizen. “Daar zijn het meestal lage, vrijstaande huizen op forse percelen.” Zelf had Rinus een boerderij. Met bijna niks kwam hij op het noordeiland aan, nu bestiert zijn zoon het door hem opgebouwde bedrijf, met 600 koeien en 350 hectare grond. Maar trotser is hij op zijn vijf kinderen, twaalf kleinkinderen en negen achterkleinkinderen. Al moeten de aantallen even worden voorgerekend. Rinus verontschuldigt zich grinnikend en zegt met Engelse tongval, maar onmiskenbaar Brabants dialect: “Ik kan ze nie bijhouwen!” Hoe komt het eigenlijk dat hij zijn vaderland niet eerder bezocht? Zijn gezicht verstart. Hij blijft even stil. Natuurlijk was het die grote boerderij, het werk, het gezin, de kleinkinderen. Dat alles hield hem op zijn plek. Maar hij denkt aan iets anders. “Mijn vrouw,” zegt hij zacht in het Engels. “Ze is niet zo lang geleden gestorven.” Rinus’ ogen twinkelen even niet. Ze worden vochtig, achter het glas van zijn bril. Ja, hij mist haar, wat dacht je dan. Pas als hij zijn broer aankijkt breekt weer een glimlach door. “Mijn dochter begon er een jaar geleden over, dat ze naar Nederland wilde. En dat ik mee moest. Ik wilde helemaal niet. Maar verdriet slijt. Nu ben ik blij dat ze me heeft overtuigd.”

 

 

 

image071

 

Havenpad

 

 

Steenbergen en omgeving hebben ze verkend. Antwerpen willen ze bezoeken. Vlissingen zien. Nog een bezoek aan de enige andere nog levende Quintus-telg: zus Jaantje, die in een Steenbergs bejaardenhuis woont. “En verder zien we wel waar we zin in hebben.” Na dat alles komt, over een paar weken al, onherroepelijk het moment dat Sjef Rinus weer op de Amsterdamse luchthaven afzet. Waarschijnlijk is dat een definitief vaarwel. De mannen kijken elkaar eens aan. “Ik denk dat we het afscheid maar net zo vrolijk moeten maken als de begroeting,” vindt Sjors. Rinus knikt. Ze belden elkaar steeds een paar keer per jaar. Rond Nieuwjaar meestal. Soms op Rinus’ verjaardag. Het telefonisch contact zal toenemen, voorspelt Sjef. “Je kent elkaar ineens een stuk beter, dan wil je elkaar meer vertellen.”

 

Over een paar maanden staat Rinus waarschijnlijk weer op de golfbaan. Of misschien mijmert hij, vanuit zijn appartement in New Plymouth starend naar de zee, over het leven van zijn broer. Die rijdt dan wellicht over bevroren water, op een dweilmachine, om de Bredase ijsbaan glad te houden. Wie weet dwalen diens gedachten dan ook wel eens af naar die vrolijke senior aan de andere zijde van de aardbol. Sjors weet het eigenlijk wel zeker. “Natuurlijk hadden we elkaar lang niet gezien. Maar dat maakt voor het gevoel niet uit. Je bent broers. Die liefde is er vanzelf. Dat blijft ook zo hoor. Al is hij straks nog zo ver weg.”

 

 

Zie ook: Steenbergen in beeld

 

 

 

 

Een bijdrage van Redactie: Breda-en-alles-daaromheen.

 

9 juli 2008

 

Home

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN