Bron: www.bndestem.nl

 

Anderhalve eeuw bedrijvigheid op zand en klei

 

 

FIJNAART - Land van zand en klei. Met de daarbij horende verschillen.

 

 

Dat is West-Brabant ten voeten uit. En zo portretteert oud-Tholenaar Paul Brusse de regio ook in zijn boek: “De dynamische regio.” “Je hoeft niet in West-Brabant te wonen om ervan te houden,” zegt de auteur, die woonachtig is in Amersfoort. Hij gaf het werk de ondertitel: “economie, overheid en ondernemerschap vanaf 1850” mee, maar het lijvige werk is veel meer geworden. In 368 bladzijden verhaalt Brusse over het wel en wee van de West-Brabanders tussen 1850 en nu. Hij schreef het boek in opdracht van de twee Rabobanken Roosendaal/Woensdrecht en Het Markiezaat.

 

Natuurlijk volgt de schrijver de ontwikkeling van de Boerenleenbank en de Raiffeisenbank, vanaf de tijd dat ze coöperaties waren voor de boeren tot aan het moment dat ook de niet-agrarische bevolking zich er meldde om er een ‘salarisrekening’ te openen en wat later ook om er een reis te boeken. Maar het boek gaat vooral over hoe West-Brabant zich in die tijd ontwikkelde. Brusse hééft gewoon wat met dit stukje Nederland. Hij werd in Tholen-stad geboren en hoewel hij al op jonge leeftijd daar wegging, kwam hij met zijn ouders nog vaak terug. “Dat was in de jaren vijftig. Dan trokken we de bossen in, bij Putte of bij Wouwse Plantage. Het was een heerlijke tijd en nog steeds trekt West-Brabant,” zegt de auteur.

 

Hij ging 150 jaar terug in de tijd. “Een tijd dat er grote verschillen waren. Zand- en kleigrond, bos en hei, het Middeleeuws aandoende Bergen op Zoom, Roosendaal met zijn station en logistiek. De verschillen waren groot, ook economisch. Want economie is geografisch en regionaal bepaald. En dat is nog steeds zo. Zand en klei, beide hebben nog steeds hun eigen karakter.” Dat blijkt ook uit de vele statistieken in het boek, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen ontwikkelingen op de klei en die op het zand. Op West-Brabants zand werden in 1970 ruim 25.000 stuks rundvee gehouden, op kleigronden was dat met 11.000 minder dan de helft. En ook de varkenshouderijen deden het op zand beter. De akkerbouw laat omgekeerde aantallen zien: Op zand daalde het areaal akkerbouwgronden van 7.000 naar 5.000 hectare, op de klei was die daling relatief veel geringer: van 13.000 naar 11.000 hectare. Ook in de bevolkingsstatistieken maakt Brusse onderscheid tussen ‘zand’ en ‘klei.’ Op het zand (met de steden Roosendaal en Bergen op Zoom) groeide de bevolking aanmerkelijk sneller dan in het veel minder verstedelijkte kleigebied.

 

In zijn rijk geïllustreerde boek benadert Brusse de economische geschiedenis van onderaf. “De boer, de winkelier, de aannemer, maar ook de captain of industry, van eenmansbedrijfje tot multinational. En dat verhaal probeer ik zo herkenbaar en spannend mogelijk te schrijven. De suikerindustrie, Liga, Van Gils, Philips, de Enka, Fokker, Philip Morris, maar ook de militairen in de diverse kazernes en de vele zorginstellingen, ze hadden allemaal hun invloed.” De metamorfose in deze regio ging sneller dan elders, aldus Brusse. “In 1850 was er economisch gezien maar één stad, Bergen op Zoom. Roosendaal had weliswaar stadsrechten, maar richtte zich voor meer dan zestig procent op de landbouw; in Steenbergen was dat percentage nog hoger. Maar al gauw begon West-Brabant te verstedelijken. De bevolking van Roosendaal vervijfvoudigde en daarmee werd die gemeente al in 1899 groter dan Bergen op Zoom en is dat altijd gebleven.”

 

Roosendaal profiteerde van de industrialisatie en werd een internationaal vervoerscentrum. In Bergen op Zoom daarentegen trokken de mensen bij gebrek aan werk weg. “Maar zoals bij alles kent ook de economie golfbewegingen en zo kreeg Bergen op Zoom na de Tweede Wereldoorlog nieuwe kansen met bedrijven als Asselbergs en de Holland, terwijl Roosendaal inzakte.” Op het platteland ging het intussen met de zandboeren, altijd armer dan hun collega’s op de klei, een stuk beter. “De boeren op de zandgronden verbeterden hun veehouderijen en begonnen met tuinbouw. De asperge! Niet dat toen meteen elke zandboer rijk was. In 1950 lag het inkomen van een Dinteloordse kleiboer nog steeds aanmerkelijk hoger dan dat van een zandboer in Wouw.” Vanaf 1950 tot de oliecrisis in 1973 waren het gouden tijden voor de West-Brabanders. Met als uitzondering natuurlijk de watersnoodramp in 1953, die vooral in Fijnaart, Heijningen en Halsteren vele slachtoffers eiste. Economisch ging het daarna crescendo. Roosendaal had Philips - al gauw de grootste werkgever - en haalde ook steeds meer transportbedrijven binnen. Wegtransport werd steeds belangrijker en daarom was de aanleg van de A17 zo cruciaal, ook voor Moerdijk.

 

Bergen op Zoom kroop er weer bovenop mede dankzij hulp van de overheid. “In de tweede helft van de jaren zestig gaf de overheid een financiële bijdrage van 25 procent als een gemeente een bedrijf wist binnen te halen. Zo kwam Bruijnzeel naar Bergen, GE Plastics, Philip Morris.” En wat te denken van de bedrijfsvestigingen op industrieterrein Moerdijk? Daar was het een komen en gaan van geïnteresseerde bedrijfsdirecties, die met grootschalige vestigingen voor een snelle aanwas van de werkgelegenheid zorgden.

 

 

 

Zie ook:

 

Fijnaart in beeld

 

 

 

19 maart 2009

 

Home

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN