logo

 

Armoede in Breda

 

Breda mag zich dan een rijke en welvarende stad noemen, dat het ooit anders is geweest weet de Vincentius Vereniging.

 

Die club die zich al sinds 1850 in Breda inzet voor de hulp aan armen, droeg vorige week het eigen archief over aan het Stadsarchief. Talloze documenten schetsen een beeld van de ontwikkeling van de armenzorg in Breda. Zo wordt onder meer in droge cijfers in beeld gebracht hoe Bredanaars begin twintigste eeuw met grote gezinnen in krotten woonden zoals deze op het Nonnenveld.

 

 

nonnenveld

 

Nonnenveld (Foto: Breda’s Museum)

 

 

 

Verstop de koekjes, Vincentius komt eraan!

 

 

oude vest

 

Armoede in Breda: krotwoningen aan de Oude Vest in 1907.

 Een jaar later werden de huisjes gesloopt.

 (Foto: Breda’s Museum)

 

 

 

akkerstraat

 

 

Leden van de Vincentius Vereniging kwamen bij de armen langs om zelf vast te stellen hoe hoog de nood was.

 Deze foto werd in het begin van de twintigste eeuw gemaakt van Akkerstraat 19.

(Foto: Breda’s Museum)

 

 

 

akkerstraat toilet

 

 

In arme wijken maakten bewoners gebruik van een gezamelijk toilet.

 Deze stond in 1904 in de Akkerstraat.

(Foto: Breda’s Museum)

 

 

 

Het is 1850 als in Breda de Vincentius Vereniging wordt opgericht.

Een club die enkele jaren daarvoor, in 1833, onder leiding van de Parijse student Frédéric Ozanam was begonnen.

 

 

 

"Ozanam wilde de kloof tussen arm en rijk dichten," vertelt Martien van Bakel, huidig voorzitter van de Bredase Vincentius Vereniging. "Hij meende dat wie aan armenzorg deed moest weten waar hij het over had. Je moest naar de mensen toe. Met eigen ogen vaststellen wat armoede was. En op basis daarvan maatregelen treffen om mensen uit het slop te halen."

 

Breda telde in die tijd heel wat armen, weet Van Bakel. Een kwart tot een derde van de bevolking kon nauwelijks rondkomen. "Een beeld dat je in veel steden zag. Het was de tijd van de industrialisatie. In de hoop werk te kunnen vinden, trokken veel arme inwoners van het platteland richting de stad." Hen wachtte geen makkelijk leven. Van Bakel schetst: "Met soms grote gezinnen kwamen de arbeiders terecht in kleine eenkamerwoninkjes die tegen de Bredase kazerne- en stadsmuren waren aangebouwd. Vochtige donkere onhygiënische hokken." De bewoners bezaten niets. "Ze hadden dikwijls geen bed om in te slapen. Vincentius liet kisten voor hen maken om strozakken in te leggen. Zakken die jaarlijks opnieuw werden verstrekt. Het stro beschimmelde snel."

 

Van Bakel weet dit op basis van de verslagen en notulen die zijn vereniging al vanaf het prille begin in Breda bijhield. Met name dikke boekwerken vol cijfermateriaal. "Maar juist uit die begintijd zijn ook rapporten bijgehouden." Met elkaar geven ze een redelijk beeld van de ontwikkelingen van de armenzorg over de laatste 158 jaar in Breda. "In die zin zijn het belangrijke documenten voor de stad," meent Van Bakel. Dat was ook één van de redenen voor de Vincentius Vereniging om het materiaal over te dragen aan het Bredase Stadsarchief. "Zo blijft de informatie bewaard." Informatie die soms schrijnend is. Want inderdaad, net als Ozaman had nagestreefd, bezochten leden van Vincentius de mensen thuis. "In de Lange Gampel, in de kleine huisjes in de omgeving achter De Beyerd, bij de Oude Vest. In die wijken. Waar ouders en kinderen hele dagen in de fabriek vertoefden. Waar kleintjes de zorg hadden voor nog jongere broertjes en zusjes. Huisjes waar de strozak soms met lege maag moest worden opgezocht." Armoede die erger was dan op het platteland. "Daar hadden mensen vaak nog een stukje land waar eten op werd verbouwd. Niet voor niets zette Vincentius in 1935 nog een volkstuintjesproject op. Bovendien thuis, op het land, was de familie, het sociale vangnet. Langzaam groeide dat trouwens ook in de arme wijken. Er kwam een band tussen mensen die er woonden. Men hielp elkaar."

 

Vincentius stond de armen bij met eerste levensbehoeften. Verstrekte gort, rijst, brood. "Dat brood bakten de verschillende Bredase bakkers bij toerbeurt," vertelt Van Bakel. "Later, in 1867, zette de vereniging een eigen bakkerij op." De armoede bleef schrijnend. Er kwamen de crisisjaren na 1929. Vincentius kreeg minder giften binnen. Burgelijke en private hulpverleners begonnen te kissebissen over wie verantwoordelijk was voor welke armen. "En dan waren er die aanstootgevende overwegingen om mensen die bijvoorbeeld van het verkeerde geloof waren, niet meer te helpen," verzucht Van Bakel. Het was pas na de oorlog dat uiteindelijk verlichting kwam. "Eerst met de AOW, later in 1965 met de Algemene Bijstandswet." De bestrijding van armoede werd primair de verantwoordelijkheid van de overheid. Vincentius kon het rustiger aandoen. Maar toch. "Toch zijn er tot de dag van vandaag mensen in Breda die onze hulp hard nodig hebben," zegt Van Bakel. "Die in onze winkel voor een euro of twee, drie tweedehands spullen kopen, omdat nieuwe artikelen onbetaalbaar zijn. En die in aanmerking komen voor de voedselbank, die meteen naast ons pand zit." Van Bakel gokt dat zo'n drie tot vijf procent van de Bredanaars de eindjes niet aan elkaar kan knopen. Wie? "Ouderen, bijstandsmoeders, mensen die door eigen schuld of door enkele opeenvolgende tegenslagen diep in de financiële problemen zijn gekomen. Sommige gehandicapten. En niet geregistreerde asielzoekers."

 

Mensen voor wie de hulp van de vereniging uitkomst blijft bieden. "Al leggen we geen bezoeken meer af, zoals eigenlijk ooit het idee was." Misschien wel prettig voor zijn klanten. "Want uit de oude notulen blijkt: de bezoekjes hadden iets weg van een keuring. Een blik koekjes? Snel weg! Laat Vincentius het niet zien. Voor je het weet krijg je geen schoenen."

 

 

 

Een bijdrage van Redactie: Breda-en-alles-daaromheen.

 

8 maart 2008

 

Home

 

stats count

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN