Bron: www.bndestem.nl

 

Bredaas grootste kunstschat wordt uitgeleend

 

 

 

scorels

 

Jan van Scorels “De vinding van het Ware Kruis” (1533-‘35) is ruim vijf meter breed.

 

 

Bredaas grootste kunstschat is - afgezien van de stenen monumenten

en de muurschilderingen van de Grote Kerk - ongetwijfeld de

altaartriptiek van Jan van Scorel in de Prinsenkapel.

 

 

Zeker, het Niervaertdrieluik mag er ook zijn, maar dit werk van twee anonieme schilders is, hoewel beter geconserveerd, incompleet. Het evenoude drieluik “De vinding van het Ware Kruis” is er zowel in schilderkunstig opzicht als qua thematiek, dramatiek, compositie en uitbeelding superieur aan. Niet zonder reden wordt het werk voor de tweede maal in 32 jaar geëxposeerd in het Centraal Museum van Utrecht. Gisteravond opende daar de tot 28 juni durende tentoonstelling Scorels Roem. De Bredase kerkschat, die al jaren in restauratie verkeert, vormt - minus het linkerpaneel - het hoogtepunt van deze expositie. In de Prinsenkapel hangt nu een replica. Jan van Scorel (1495-1562) was in zijn tijd een internationaal bewonderd kunstenaar, wiens publiek zich tot Rome uitstrekte. In 1522-‘23 was hij daar zelfs conservator van de pauselijke kunstcollecties. Als man van de wereld - hij was ook letterlijk geen vreemde in Jeruzalem - was Van Scorel bevriend met de wereldlijke en kerkadel van Europa. Die speelde hem kapitale opdrachten toe. Zo ook de schatrijke opperkamerheer van keizer Karel V, graaf Hendrik III van Nassau. Waarmee de aanwezigheid van een van Van Scorels belangrijkste werken in Breda is verklaard. De even pronkzieke als kunstlievende Nassaugraaf was druk doende zijn hofstad, Breda, opnieuw in te richten, de Grote of O.L.-Vrouwekerk te voltooien en van het oude Nassaukasteel een paleis te maken. Nu was hij toch al gewoon de hulp van zijn vele artistieke relaties in te roepen. Zo schiep Hiëronymus Bosch het wereldberoemde schilderij “De Tuin der lusten” (Prado, Madrid) voor Hendriks Brusselse Coudenbergpaleis en in 1520-‘21 was de jeugdige Albrecht Dürer te gast op het Kasteel van Breda. Hendrik en Van Scorel - tevens kanunnik van het Utrechtse Sint-Mariekapittel - hadden elkaar in 1530 persoonlijk leren kennen. De graaf was de reeds gebouwde - maar nog niet zo genoemde - Prinsenkapel aan het inrichten en schakelde Van Scorel in bij de decoratie van zowel de grafkapel als het Kasteel. Wat de Utrechtse kunstenaar aan het kasteelinterieur heeft bijgedragen, is onbekend. In 1533 verwierf hij de opdracht voor het drieluik, dat een ouder exemplaar op het al gewijde altaar in de kapel moest vervangen. Ongetwijfeld geïnspireerd door de oude Bredase H.-Kruiscultus (14e eeuw) en de toenmalige - en onlangs herstelde - aanwezigheid van een Kruisreliek in de kerk, ontwierp Van Scorel vijf uitbeeldingen van oude kruislegenden. Zoals de wedervondst en identificatie van het Christuskruis door de Romeinse keizerin Helena, in 324 na Christus in Jeruzalem en de zich met het crucifix voor ogen kastijdende kerkvader Hiëronymus. Van Scorels religieuze stukken waren zó gewild, dat hij slechts aan de enorme vraag kon voldoen door zijn ontwerpen in zijn ateliers in Utrecht en Haarlem door assistenten te laten uitvoeren. Dat gebeurde blijkens recent onderzoek ook met het Bredase kunstwerk. Zelfs de ondertekening - de eerste houtskoolschets op de grondlaag - blijkt slechts ten dele van zijn hand. Maar aan het magistrale karakter van het drieluik doet dat niets af. Het is en blijft Van Scorels eigen beeldtaal.

 

 

Zie ook:

 

 

20 maart 2009

 

Home

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN