Bron: BN-DeStem

 

Dode sporen

van het ‘Laurens’ gaan weer leven

 

 

laurens-1

 

Het hoofdgebouw aan de Ulvenhoutselaan, na de allerlaatste facelift in het fusiejaar 1986.

 

 

 

 

laurens-2

 

Eind jaren ‘40.

Linksboven het hoofdgebouw met daarachter (rechts van het midden)

ondermeer de kapel en de kloostervleugel.

 

 

 

 

laurens-3

 

Een van de nieuwe, échte ziekenhuisfaciliteiten is in 1962 het lab.

 

 

 

 

laurens-4

 

In 1961 had het Laurens nog geen lekenpersoneel.

Liefdezusters van de H.-Carolus Borromeus hadden hier zelfs een eigen klooster.

 

 

 

Het Sint-Laurensgesticht was bij zijn opening in 1913 de trots van het Ginneken.

 Hypermodern was het eigen verzorgingshuis voor zieken en bejaarden.

 

Het had zelfs een operatiekamer voor ingrepen door - vaak nog - huisartsen. Maar zoals het dorp na de annexatie van 1942 opging in de stad Breda, zo versmolt het Laurens in een tijdsbestek van nog geen eeuw in het regionale Amphia Ziekenhuis Breda. Het Ginneken bleef als dorp-in-de-stad evenwel een springlevend organisme. Van het Laurens zijn nog slechts enkele tastbare herinneringen over. Alleen het oude hoofdgebouw en de kapel resteren van het eertijdse complex tussen de Ulvenhoutselaan en de Bavelselaan. Maar met medische zorg hebben ze niets meer uitstaande. Beide hebben in de laatste jaren van de vorige eeuw een woonfunctie gekregen, waarbij het hoofdgebouw - vlaggenschip van het nieuwe woonpark - zelfs tot de grond toe afgebroken is geweest, voordat het in 1997 weliswaar in zijn oude gedaante, maar wel met een heel ander karakter herrees. Meer - dode - sporen heeft het oude Laurens niet van zichzelf kunnen achterlaten. (Van de annex aan de overkant, de Villa Valkrust, was door langdurige verwaarlozing en vandalisme zo weinig origineels meer over, dat er nu feitelijk een heel nieuw pand aan de Mark staat).

 

 

 

image007

 

Het voormalige Laurensziekenhuis aan de Ulvenhoutselaan

(Foto: Kees Wittenbols – september 2006)

 

 

Maar de geschiedenis bewaart het verleden, totdat de historicus het - in een papieren werkelijkheid - tot leven nieuw schrijft. Dat is precies wat Jan Brouwers, in opdracht van Stichting Sint-Laurensfonds, heeft gedaan. Het fonds wenste zich een gedegen overzicht van de ontwikkeling van het dorpse verzorgingsgesticht tot een modern ziekenhuis. Dat overigens als grootste teleurstelling heeft moeten accepteren dat het in de 73 jaren van zijn zelfstandige bestaan nooit eigen nieuwbouw heeft kunnen realiseren, maar - tot het vertrek van de Ulvenhoutselaan in 1986 - slechts als een barakkenlabyrint voortwoekerde. Een fluitje van een cent was die geschiedschrijving van het Laurens niet. Om te beginnen zijn over de eerste twintig jaar amper bestuursnotulen bewaard gebleven; ze beslaan niet meer dan twee schoolschriftjes. Daaruit en uit de oprichtingsakte plus de berichtgeving van het toenmalige Dagblad van Noord-Brabant moest de toenmalige gang van zaken bij elkaar gepuzzeld worden. Brouwers prees zich dan ook gelukkig dat hij op de - summiere - dagboeknotities van rector Theo Asselbergs, het vooroorlogse hoofd geestelijke verzorging en oom van de dichter Anton van Duinkerken, stuitte. Zo kon hij alsnog een levendig uitgevallen portret schetsen van een instelling die - opgezet door plaatselijke regenten, geleid door kloosterzusters en gedomineerd door het bisdom - met haar logistieke amateurisme en zedelijke knevelarij de vooroorlogse standenmaatschappij binnen de hospitaalmuren in stand hield.

 

Het was de groeiende greep van de specialisten op de gang van zaken, die het Laurens naar de medische moderniteit leidde. Tot 1958 kende het Ginnekense ‘ziekenhuis’ nog niet eens een medische staf. De instelling - die zich nog tot ver in de jaren ‘70 met (interne) bejaardenzorg bezighield - kon maar niet van haar verleden als verzorgingsgesticht loskomen en bleef lange tijd care boven cure stellen. Tot 1958 ontvingen de specialisten hun patiënten gewoon aan huis; uitsluitend voor operaties kwamen ze naar de Ulvenhoutselaan, waar trouwens ook huisartsen nog lang kleine operaties verrichtten. Brouwers’ tweede grote puzzel was de reconstructie en beschrijving van de bijna drie decennia beslaande fusieperikelen. De drie Bredase ziekenhuizen werden in elkaars armen gedreven, omdat ze niet elk zelfstandig konden blijven doorgroeien. Er móest gefuseerd worden. Factoren als de snelle ontwikkelingen binnen de medische wetenschap, de gestaag groeiende vraag naar ziekenhuisbedden (die met de invoering van het ziekenfonds in 1941 was ingezet) en de schaalvergroting van de zorg, maar ook de publieke en politieke weerstand tegen de ongebreidelde uitbreidingsdrang van individuele ziekenhuizen en het regulerende overheidsingrijpen, maakten een fusie onvermijdelijk. Want West-Brabant en zijn centrumstad, Breda, schreeuwden om medische topzorg (met ook zoveel mogelijk specialismen). Maar wie moest er dan met wie fuseren?

 

Tussen Laurens en Diaconessenhuis - die mekaar als ‘kleintjes’ het meeste na stonden - gaapte een religieuze kloof, die voor de bestuurders trouwens onoverkomelijker leek dan voor de specialisten. De rk-geloofsbroeders Laurens en Ignatius stonden daarentegen als David en Goliath tegenover elkaar. De superieure opstelling en het eigengereide optreden van het Ignatius stootten het almaar wantrouwiger Laurens keer op keer af. Tenslotte bleken de confessionele verschillen het kleinste struikelblok en ontstond in 1986 het “Interconfessioneel Ziekenhuis” De Baronie. Opnieuw bleek de opstelling van de medisch specialisten doorslaggevend te zijn geweest. Brouwers beschrijft zowel de interne cultuurverschillen van het Laurens als de gecompliceerde fusiejaren zeer helder. Al doende kneedt hij de droge vergaderstukken tot boeiende leesstof en maakt hij het nabije verleden, voedingsbodem van de actualiteit, inzichtelijk. Zó is historie voor iedereen leuk.

 

 

 

12 november 2008

 

Home

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN