Bron: www.nieuwsblad.be

 

“Elke nacht hoopte ik

dat ik niet behoefde te schieten”

 

 

muurval

 

 

Grenswachter die de Berlijnse Muur bewaakte,

spreekt openhartig over zijn leven in de DDR

 

 

NVT – “Als mijn zoontje van zes oud genoeg is, zal ik hem op een dag vertellen dat er ooit twee Duitslanden waren en dat zijn vader daar tussenin stond.” Een DDR-grenswachter die de Berlijnse Muur bewaakte, blikt terug. Maandag, op de twintigste verjaardag van de val van de Berlijnse Muur, gaat hij niets speciaals doen. “Verjaardagen zijn iets voor de media,” zegt Uwe (40). “Voor mij zijn die twintig jaar voorbijgegaan als een zucht.” Uwe was negentien toen hij de Berlijnse Muur moest bewaken, als milicien in het Oost-Duitse leger. Uwe is overigens niet zijn echte naam. “Ik weet niet wat het is met ons, oude DDR’ers,” stelt hij zelf plots vast. “Al die openbaarheid, daar hebben we het blijkbaar nog altijd moeilijk mee.”

 

Hij kreeg in 1988 zijn oproepingsbrief voor de Nationale Volksarmee (NVA), het leger van de Duitse Democratische Republiek (DDR). “Ik wou eerst architect worden, maar wat kon je daarmee in de DDR? Alle flatgebouwen hadden hetzelfde ontwerp en voor de familiehuizen waren er maar twee modellen. Van burgerdienst was in de DDR ook geen sprake. We werden eerst gecheckt door de geheime dienst, de Stasi. Wie geen familie had in West-Duitsland, werd uitgekozen voor de elite: de grenstroepen. Zonder familie in het Westen was het gevaar kleiner dat je zelf een uitbraakpoging zou doen.” “Daarna kregen we een half jaar lang een speciale opleiding. Daarvoor waren er hele dorpen nagebouwd, met grensovergangen en een nagebouwde Berlijnse Muur. Hoe moet je handelen bij een Grenzdurchbruch, wanneer mag je je wapen gebruiken?” En toen werd Uwe ingezet aan de zogenaamde “beschermingsmuur tegen het fascisme.” Uitverkoren om op zijn negentiende te schieten op medeburgers die het communistische systeem wilden ontvluchten. “Ik werd anderhalf jaar ingezet in een strook van 34 kilometer Muur in Falkensee, aan de westkant van het omsingelde West-Berlijn. We waren telkens met tweeën verantwoordelijk voor een stuk van zo’n vierhonderd meter.”

 

De opleiding en de procedures waren uiterst strikt, zegt hij en zijn DDR-jargon is hij nog niet vergeten. “De Muur was eigenlijk een dubbele afsperring. Eerst was er het hinteres Sperrelement (het “achterste versperringselement”), een elektrisch geladen hek. Dan kwam de Kolonnenweg, een strook waar wij patrouilleerden.” De West-Duitsers noemden dat de Todesstreifen, de strook van de dood, waarin vluchtelingen konden worden neergeschoten. “Dan was er een gracht met water en daarachter een geharkt stuk grond,” vertelt Uwe. “Om te zien of niemand door die strook had gelopen. Zelfs als daar konijnenpoten stonden, kwamen speciale troepen met een Trabant aanrijden om de grond weer egaal te harken. En dan pas kwam de Muur.” “Overdag stonden we in een wachttoren. Gaf het achterste hek een elektrisch signaal, dan moesten we daarheen rennen. Niet gewoon lopen. ‘s Nachts liepen we acht uur lang te voet over de Kolonnenweg. In die strook mochten we schieten, maar altijd eerst in de grond. We mochten ook niemand doodschieten, alleen verwonden. Daarop werden we speciaal getraind, met kartonnen poppen.” Zodra vluchtelingen op de Muur waren geraakt, mochten de grenswachters niet meer schieten. Maar dan niet om humanitaire redenen. “Stel je voor dat zo iemand aan de andere kant van de Muur valt,” zegt Uwe. “De West-Duitse grenswachters waren uitgerust met camera’s. We moesten ook waken over het imago van de DDR.”

 

 

 

image002

 

Berlijnse Muur (1)

 

 

“Op een dag hebben drie mensen met een vrachtwagen geprobeerd tot aan de Muur te komen, in de sector naast de mijne. Ze zijn door het buitenste hek geraakt, maar zijn blijven steken in de gracht. De grenswachters hebben toen geschoten. Wij moesten daarna helpen bij de arrestatie. Ook daarin waren we geoefend. Met de vluchtelingen mochten we geen woord spreken. In de politieke scholing die we elke week kregen, werd ons gezegd dat het ging om “klassevijandige elementen” die tegen het socialisme waren. Wie met een vluchteling sprak, ging zelf de cel in.” “Je hoopte toen elke dag dat er niks zou gebeuren. Ik liep mijn patrouilles zo intensief mogelijk, in de hoop mensen al af te schrikken aan het buitenste hek. Je bent negentien en je hoopt, hoopt, hoopt dat je niet zal moeten schieten. Ik hoopte zo hard dat ik totaal van de kaart was na elke nacht op patrouille.” Toen kwam het woelige jaar 1989. In Leipzig begonnen oppositiegroepen elke maandag te verzamelen aan de Nikolaikerk. In oktober begonnen de massabetogingen. “Wij wisten daar niet heel veel over,” zegt Uwe, “want we mochten maar om de drie maanden een weekend naar huis. Maar soms keken we thuis ook stiekem naar de West-Duitse televisie en ook wij raakten opgewonden over het vooruitzicht van een hereniging met West-Duitsland.”

 

Bananen zoveel je wilde

 

“In het leger zagen we dat de officieren nerveus werden. Ze begonnen ons te vragen naar die betogingen. Natuurlijk durfde je dan niet openlijk je mening te zeggen. Maar tegelijk merkten we in de politieke scholing dat ze zelf steeds minder overtuigd waren van hun gelijk.” Twee weken voor de val van de Muur, op 27 oktober 1989, zwaaide Uwe af. “Ik kwam in een andere wereld terecht. Alles was in beweging. We waren echt bang dat de Russische tanks uit hun kazernes zouden komen, zoals de DDR-leider Erich Honecker had gehoopt. Maar Michail Gorbatsjov weigerde. Daarom dragen we die man hier zo op handen.” “En intussen groeide de moed bij de betogers. Maar dat de Muur echt zou vallen, kon niemand toen voorspellen. Toen in de zomer van 1989 de Hongaren hun grens met Oostenrijk openden, heeft een goede vriend van me zijn geluk beproefd en hij is naar ginds getrokken. Toen we afscheid namen, dachten we dat we elkaar nooit meer zouden zien. Ik heb zelf lang getwijfeld of ik niet mee zou gaan.”

 

 

 

berlijnse muur-2

 

Berlijnse Muur (2)

 

 

En toen kwam 9 november 1989, toen de Muur openging. “Je kon naar West-Berlijn en je kreeg dan honderd Duitse mark (vijftig euro) cadeau,” zegt Uwe. “Ik stond totaal perplex in West-Berlijn. Wat ze daar allemaal hadden. Je kon bananen kopen zoveel je wilde. Bij ons waren dat er maximaal twee tegelijk.” Hij lacht. “En in de winkels lagen zo maar magazines met naakte vrouwen: ongehoord in de DDR!” Waaraan hij zelf zijn West-Duits geld heeft besteed? “Ik ging naar een doe-het-zelf-markt en ik kocht er een gereedschapskist, met veel schroevendraaiers en Engelse sleutels. Bij ons bestond zoiets niet. In West-Berlijn hebben ze in die dagen de gereedschapskisten soms per palet verkocht. Ik was er zelf ook niet gerust in dat de Muur zou openblijven. De Sovjet-Unie was zo groot en machtig. Ik wist ook hoe machtig de Muur was en de Stasi. Ze filmden nog altijd iedereen die de grens overstak. Wat zou er met al die mensen gebeuren? Ik dacht eerst dat ze de Muur na een maand of twee weer zouden afsluiten. Het heeft een paar weken geduurd voor ik echt begon te geloven dat de grens zou openblijven.” “Toen ben ik ook naar ‘mijn’ grenspost gaan kijken, van de andere kant. Kippenvel gaf dat. Ik heb anderhalf uur alleen staan kijken, zonder een woord te zeggen. Waarom had die Muur daar ooit gestaan? En waarom heb ik daar anderhalf jaar die grens staan bewaken?”

 

Na de Wende ging Uwe eerst met enkele vrienden, zoals hij dat zegt, “heel Duitsland vieren.” “We reisden het hele land af, al die plekken waar we voordien alleen maar van hadden gehoord en we amuseerden ons kostelijk. Daarna ben ik beginnen te werken als vrachtwagenchauffeur. Ik reisde heel Europa door: België, Frankrijk, Zweden, vijf jaar lang. Toen heb ik mijn vrouw leren kennen, in mijn eigen provincie Saksen en wist ik dat het tijd was om mijn leven te veranderen. Lange tijd heb ik nog gedacht zelf naar West-Duitsland te verhuizen, zoals zoveel jonge mensen uit Oost-Duitsland. Maar ik had mijn wortels in Saksen en ik ben erg heimatgebonden. Ik vind Beieren en Brugge mooi, maar je verlaat je Heimat niet voor het geld.” Uwe richtte zijn eigen transportbedrijf op en hij rijdt zelf nog altijd met een van zijn vrachtwagens rond, binnen Duitsland. “Ik had een vrouw, daarna ook een kind, we hebben een huis gebouwd en intussen had ik mijn eigen firma. Waarom zou ik nog voor een werkgever werken, als ik zelf de kans had iets op te bouwen. Ik heb nu vier werknemers en drie vrachtwagens. Ben ik dan een kapitalist geworden? Nee, want het is moeilijk genoeg om te overleven. Het gaat, als je dertien uur per dag werkt.” (Jorn De Cock).

 

 

 

8 november 2009

 

Home

 

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN