BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN

 

 

Herinneringen aan de De Sint Hieronymus groep

en Klein Zwitserland.

 

 

 

  

In mijn jeugd ben ik enige tijd als welp lid geweest van de Sint Hieronymusgroep. Op de foto van de welpen gemaakt bij het tienjarig bestaan van de groep in 1953, sta ik helemaal rechts. Zelf was ik op dat moment ook 10 jaar. Als kleinste welp mocht ik de totempaal vasthouden.

 

Deze foto staat ook bij de groepsfoto’s op de oranjeboompleinsite met de namen van de jongens erbij. Of die allemaal wel juist zijn durf ik niet te zeggen. Ik heb ze indertijd achter op de foto gekrabbeld. Maar de meeste namen zeggen mij helemaal niets meer. De jongens op de achterste rij dragen het welpenuniform, manchester korte broek groene trui en groen welpenpetje. Om de hals de groepsdas, waarvan ik me de kleuren niet meer herinner. De jongens zittend en knielend op de voorgrond dragen nog geen uniform, omdat ze of te kort lid waren of omdat ze wegens hun leeftijd op korte termijn zouden overstappen naar de verkenners. Die leeftijd was 12 jaar zover ik me herinner. De welpengroep werd geleid door dames, Akela’s en Baghera’s (vraag mij niet meer naar het verschil). Zij staan op de foto achter de groep. Zelf heb ik het helaas nooit tot verkenner geschopt. Wij hadden het thuis niet zo breed, ik was de oudste van 7 kinderen en mijn moeder vond het uniform en dan vooral die hoed met 4 deuken, te duur. Toen ik de leeftijd had om naar de verkenners over te stappen ben ik er dus noodgedwongen afgegaan. De verkenners droegen een kaki-overhemd met allerlei insignes, die je wel moest verdienen en de bekende hoed dus met 4 deuken. En natuurlijk de onvermijdelijke manchester korte broek. Dezelfde broek, kaki-overhemd en de hoed werd ook door de leiding gedragen tot de hopman toe. Ik vond het toch altijd een wat koddig gezicht die volwassen mannen met behaarde benen en knokige knieën in verkennersuniform met de toch vaak wat vormeloze grote manchesterbroek tot op de knieën en daaronder nog die kniekousen met kwastjes, want die had je ook nog. Alleen Akela en Baghera weken wat af van het kledingvoorschrift, die droegen een kaki kleurige rok.

 

De Sint Hieronymusgroep bestond buiten de leiding van de welpen alleen uit jongens, er was geen meisjesafdeling. Er waren ook geen groepen voor de wat oudere jeugd, zoals tegenwoordig de Rowans en Pivo’s. Je mocht in die tijd al van geluk spreken als je na de lagere school nog naar de ambachtsschool of MULO mocht. Was je daar mee klaar dan ging je op 15/16 jarige leeftijd werken. Wilde je je nog verder bekwamen in je vak of verder leren om je maatschappelijke positie te verbeteren, dan ging je naar de avondschool. Een vrije zaterdag hadden we nog niet. Voor dingen als verkennerij had je dus gewoon geen tijd meer. Voor jongens die dat nog wel hadden, was er de mogelijkheid om over te stappen naar de Voortrekkers. Dat waren er in mijn herinnering niet zo veel. Voortrekkers hingen zo’n beetje tussen verkenners en de leiding in en werden ook wel bij de leiding betrokken. Ook bij de welpen namen zij wel eens de leiding als de Akela’s afwezig waren. Ik weet nog wel dat de spelletjes dan altijd wat ruiger werden. Boven de Voortrekkers stond nog de leiding van de groep, een Hopman geassisteerd door 2 vaandrigs. Die bemoeiden zich over het algemeen niet met de welpen.

 

De Sint Hieronymusgroep moet dus opgericht zijn omstreeks 1943, in oorlogstijd. Mocht dat van de Duitsers? Die waren niet zo voor verkennerij en padvinderij heb ik ooit ergens gelezen. In het jubileumboekje “50 jaar Onbevlekte Ontvangenis Parochie” uitgegeven in 1983 bij het 50-jarig parochiejubileum, kan ik ook helemaal niets terugvinden over de oprichting van de Sint Hieronymusgroep. Terwijl de groep toch nauw bij het parochieleven werd betrokken. Een van de kapelaans was aalmoezenier, in mijn tijd kapelaan Grooten. De verkenners met hun stokken fungeerden vaak als een soort erewacht op het kerkplein bij kerkelijke plechtigheden. De welpen hadden hun groepsbijeenkomsten op zaterdagmiddag. Ons speelterrein was het grasveld tussen de kerk en de Dr. Struyckenstraat. Bij slecht weer en in de winter konden we terecht in het clubgebouwtje op hetzelfde terrein dat tegen de kerk aan gebouwd was. In 1953 is er overigens ook een echt clubgebouw alleen voor de Hieronymusgroep gekomen. Dat lag meer achter de kerk en nonnenklooster, tegen het Nansensweggetje aan. Hoe werden groepsmiddagen verder ingevuld.  Het begon altijd met een merkwaardig ritueel, in een kring rondom de Akela’s riepen wij “Akela wij doen ons best” waarna er iemand djp, djip djip riep of zoiets en wij weer met zijn allen dop, dop dop. Bij dat laatste zaten we op onze hurken op en neer te wippen.

 

Als de akela het niet hoorde werd het “wij doen ons best” wel eens verbasterd tot “wij doen geen pest.” Dat klonk altijd nog beter dan wat jongens zongen die niet bij de welpen zaten. Die maakten er, als wij groepsgewijs door de wijk marcheerden  “Akela wij doen ons best en op de plee doen wij de rest” van. Jaren later, ik was inmiddels in de 20 ben ik Akela van Dongen nog eens tegengekomen in een nachtelijk kroeg op de Havermarkt. Met de nodige glazen bier in mijn kraag heb ik toen in een overvolle kroeg, dit merkwaardige ritueel nog eens herhaald. Na het openingsritueel werd vaak gecontroleerd of we wel de 5 dingen bij ons hadden, die we als welp altijd in onze broekzak moesten hebben. En die manchester broeken, die vaak veel te groot en te wijd waren, hadden me toch grote zakken. Van die 5 dingen kan ik mij er maar 4 herinneren. Wel weet ik dat, dat naast een stuk touw en een zakmes o.a. een schone zakdoek was. Dat hield in dat we eigenlijk 2 zakdoeken bij ons moesten hebben, één schone en één om je neus te snuiten. Die schone was bedoeld om in geval van nood wonden te verbinden en dat doe je niet met een gebruikte snotlap. Ook moesten we altijd een Rozenkrans in onze zak hebben, we waren tenslotte een katholieke welpengroep. Door jongens die niet bij de welpen of verkenners zaten werden we vaak uitgemaakt voor “papschijters.” Dat was een dubbele belediging. Het scheldwoord papschijters immers was een verbastering van padvinders maar dat waren wij helemaal niet. Wij waren katholieke verkenners en Padvinders waren protestant.

 

 

 

Graaf Engelbertlaan, werd vroeger genoemd: de Nieuwe Weg

 

 

Vaak ook verlieten we het eigen terrein naast de kerk om in het Mastbos te gaan spelen. We liepen dan, typische verkennerliederen zingend langs allerlei verdwenen weggetjes door het nog onbebouwde Boeimeer en Ruitersbos. De autoweg die nu Zuidelijke rondweg is, lag er al wel, maar hield bij de Baronielaan op. Je kon die nog gewoon op meerdere plaatsen te voet oversteken. We kwamen dan ergens bij het Montensbos uit. We bleven wel altijd redelijk vooraan in het Mastbos, zeg maar tussen Burg. de Manlaan en de Bouvignedreef. De bosspelen die we daar deden kwamen onder andere spelnamen toch veel op hetzelfde neer, speurtochten, elkaar achterna zitten, rennen, je verstoppen, elkaar vangen, aftikken, dingen smokkelen enz. En dat liefst dwars door varens, struikgewas en sloten. We zijn ook wel eens op de fiets naar de Seterse bossen geweest weet ik nog wel. Er was daar elk jaar iets voor alle welpengroepen van Breda en dat waren er veel. In die tijd had elke zichzelf respecterende parochie een eigen verkenners- en welpengroep. En zeker weten dat Breda in de jaren 50 meer parochies telde dat tegenwoordig. De welpen van de Sint Hieronymusgroep gingen in de jaren 50 nog niet op kamp. De verkenners wel. Soms waren er ook gezamenlijke activiteiten voor verkenners en welpen samen. Dat begon meestal met een appel rondom de vlaggenmast en het plechtig hijsen van de Nederlandse vlag. Meestal werd dan ook de verkenners en welpengelofte hernieuwd. De groepsfoto van de welpen is gemaakt bij zo’n gezamenlijke activiteit ter gelegenheid van het 10 jarig bestaan van de groep. Er zal ’s morgens eerst wel een H. Mis zijn geweest, want dat gebeurde altijd bij zoiets. Overdag was er een soort open dag en presentatie van de groep op het grasveld tussen de kerk en Dr. Struyckenstraat. De verkenners bouwden allerlei stellages en klimtorens. Er zullen die dag toch wel meer foto’s zijn gemaakt dan alleen van de welpen? Het zou leuk zijn als die ook eens boven water komen.

 

Bekend uit die jaren is ook de actie “Heitje voor een karweitje” bedoeld om de groepskas te spekken. Dat was altijd in de Paasvakantie. Je moest dan langs de huizen en vragen of je voor een heitje, een kwartje dus, een karweitje mocht doen. Het fijnste vond ik nog dat de mensen een kwartje gaven, zonder dat je iets hoefde te doen. Of dat je alleen maar even de stoep hoefde te vegen of een brief posten of zoiets. Maar soms werd je voor een boodschap naar de andere kant van de stad gestuurd. Ik heb ook wel eens 1,5 uur koper staan te poetsen en ergens de gang en de keuken gedweild voor 25 ct. Zelden gebeurde het dat de mensen meer gaven dan een kwartje, hoewel ik ook wel eens zomaar een hele gulden kreeg voor een luttel karweitje van een gul iemand. De verdiensten en giften werden wel aangetekend op een lijst om te voorkomen dat we een gedeelte van de opbrengst in eigen zak lieten verdwijnen. Die verleiding was groot moet ik zeggen.

 

Zoals reeds gemeld werden zowel welpen als verkenners ook ingeschakeld bij allerlei kerkelijke activiteiten. Een van die dingen was het rondbrengen van het paasvuur op Paaszondag. Dat Paasvuur was tijdens de Paaswake in de paasnacht plechtig gewijd. Na de paaswake werd dat gewijde vuur brandend gehouden in de Godslamp in de kerk en het mocht nooit uitgaan. (Officieel werd het pas gedoofd op Witte Donderdag van het jaar erop, of het altijd lukte om datzelfde vuur het hele jaar door brandend te houden betwijfel ik.) De verkenners en welpen moesten op de morgen van 1e Paasdag meehelpen om het paasvuur bij de mensen thuis te brengen. Niet bij iedereen, de parochianen die het paasvuur thuisgebracht wilde hebben, hadden zich daar van te voren voor opgegeven. En dat waren uiteraard de fanatiekste en braafste katholieken. Ik werd als welp samen met een verkenner, waarvan ik de naam niet meer weet, op pad gestuurd. Onze wijk waren de straten in Boeimeer en rondom Sonsbeeckpark. Die behoorden toen nog tot de parochie van de Oranjeboomstraat omdat de Petrus en Pauluskerk er nog niet was. In die wijk hadden we nogal wat adressen, er woonden in die wat betere buurt nu eenmaal wat meer trouwe en fanatieke parochieanen dan bijv. in het Westeinde. We kregen een lantaarntje mee met daarin het heilige paasvuur. Bedoeling was dat de mensen er thuis een kaars mee aanstaken. We werden nadrukkelijk geïnstrueerd dat we het vuur absoluut niet uit mochten laten gaan en als dat toch mocht gebeuren terug naar de kerk te komen om onze lantaarn opnieuw te ontsteken met gewijd paasvuur.

 

We waren het kerkplein nog niet af of de verkenner waarmee ik op pad werd gestuurd en die natuurlijk een paar jaar ouder was dan ik, liet mij veel betekenend een doosje lucifers zien. Tot in de Verlaatstraat hield ik de lantaarn voorzichtig vast om het vuur toch maar niet te laten doven. Ergens bij het Verlaatbruggetje brak mijn verkenner een tak van de struiken en wilde die met het gewijde vuur aansteken, wat de eerste keer nog lukte ook. De tweede keer echter waaide ons vuur uit. In het gras half onder de Verlaatbrug heeft de verkenner het vuur met ongewijde lucifers opnieuw aangestoken, nog voordat we bij het eerste adres op de Julianalaan hadden aangebeld. Daar woonde een deftig oud dametje, dat ons erg dankbaar was dat we het gewijde paasvuur bij haar thuis brachten. Ze stak voorzichtig haar paaskaarsje, dat ze die nacht vanuit de paaswake mee naar huis had genomen, opnieuw aan. Gaf ons een reep chocola en drukte ons op het hart toch vooral voorzichtig te zijn omdat het vuur niet zou doven. Ik kreeg er eigenlijk wel wat wroeging door, ze moest eens weten. Onze lantaarn is die morgen tijdens onze rondgang door de wijk nog een keer of 10 uitgegaan en echt niet per ongeluk. Na mijn aanvankelijke wroeging kreeg ik er zelf ook zin in en heb de lantaarn net zo lang boven mijn hoofd rondgedraaid tot het vuur uit was. De verkenner had niet één maar wel zes doosjes lucifers bij zich. Niet alleen genoeg om de lantaarn elke keer opnieuw aan te steken, we hadden zelfs nog over om ‘fikkie te stoken’ in het van Sonsbeeckpark. En al die brave parochianen in de Julianalaan, Bernardsingel,  Vondelstraat, Jacob Catssingel ect. elke keer maar dankbaar hun paaskaarsje ontsteken aan ons heidens vuur.

 

 

 

 

Voormalige Fatimakerk

 

 

Een regionale activiteit voor alle verkennergroepen uit Breda was de St. Jorisdag. St. Joris werd gezien als de patroonheilige van de verkenners, zijn feestdag is eind april. Op die dag fietsten we voor dag en dauw, rond 5 uur in de morgen ofzo, naar de Fatimakerk aan de Allerheiligenweg. Het was nog zo koud ’s morgens eind april dat ik m’n fietsstuur amper kon vasthouden. In de Fatimakerk was eerst een H. Mis en dan was er een soort appel en vlaggenparade voor alle aanwezige groepen op een voetbalterrein iets voorbij die kerk. (Was dat soms het oude Baronieterrein?). Om 8 uur was alles voorbij, want we werden wel gewoon om 9 uur op school verwacht. Het was op St. Jorisdag wel verplicht om de hele dag, dus ook op school je uniform aan te houden, want het nodige commentaar en gemeesmuil opleverde van klasgenoten. Een dag met groepsactiviteiten zoals de St. Jorisdag werd ’s avonds vaak afgesloten met een kampvuur. Voor kampvuren week de Sint Hieronymusgroep vaak uit naar Klein Zwitserland.

 

Klein Zwitserland is een stuk bos bij Effen. Volgens eerder genoemd jubileumboekje “50 jaar Onbevlekte Ontvangenis Parochie” werd het 4 hectare grote terrein vanaf 1943 gehuurd ten behoeve van het jeugdwerk in de parochie. Na de oorlog schijnt men het terrein te hebben gekocht en volgens hetzelfde jubileumboek in 1965 weer verkocht aan de gemeente Breda. Klein Zwitserland werd door de Sint Hieronymusgroep frequent gebruikt, ik ben er vaak geweest. Soms alleen met de welpen, soms ook met de verkenners samen, zoals bij kampvuren. We gingen er altijd met de fiets naar toe. In mijn herinnering sloegen we dan op de Rijsbergseweg ergens voorbij Effen rechtsaf. Volgden wat zandpaden, gingen dwars over een boerenerf waar nog zo’n prachtige ouderwetse hooimijt stond, en dan nog een stukje karrespoor en dan was je er. Het bos was niet zo groot (4 hectare is ca 5 voetbalvelden), maar leende zich uitstekend voor onze verkennersspelen. In het midden van het bos lag een kleine zandverstuiving, tegen het beekje de Turfvaart aan. Die kleine zandvlakte vormde het centrum van onze activiteiten, daar werden ook de kampvuren gehouden. Wat ik me verder herinner is dat het bos langs de Turfvaart vrij geaccidenteerd was. De Turfvaart was in mijn herinnering een helder beekje, maar een meter diep ofzo. Als de verkenners er ook waren en zeker als de voortrekkers de leiding hadden werden wel eens avontuurlijke dingen gedaan, met touwen boven het water en viel er wel eens iemand in. Durfde je niet dan lag er iets verder op ook een bruggetje, hoewel dat ook niet meer was dan een plank over het water. De Akela’s en Baghera’s waren wat voorzichtiger met water activiteiten. Zij wilden ook niet dat we er gingen pootje baden, hoewel we dat toch deden. Als je je broek hoog optrok werd die net niet nat. De voorzichtigheid van Akela was ook wel te verklaren. Bij onze welpengroep konden de meeste jongens gewoon nog niet zwemmen. In de jaren 50 was zwemles nog een luxe die maar weinig gezinnen zich konden permitteren Schoolzwemmen bestond nog niet. Zwemmen leerde je jezelf aan, zo heb ik het ook geleerd. Gevolg was wel dat veel jongens pas op latere leeftijd pakweg 12/13 jaar goed konden zwemmen. Dat zal ook wel de reden zijn geweest dat we met de welpen nooit naar de waterkant of een zwembad gingen. Te gevaarlijk. Gekampeerd hebben we er nooit op Klein Zwitserland, hoewel het terrein zich daar uitsteken voor leende. Misschien mocht dat wel niet.

 

 

 

De Turfvaart bij Princenhage

 

 

Afgelopen jaar heb ik pogingen gedaan Klein Zwitserland nog eens op te zoeken. Ik was er sinds de jaren 50 niet meer geweest en moest dus eerst alle herinneringen even op een rijtje zetten en Google Earth er bij halen om er achter te komen waar ergens bij Effen ik moest zoeken. Altijd heb ik gedacht dat het heuvelachtige bos tegenover Klein Zwitserland aan de andere kant van de Turfvaart de Vloeiweide was. Dus ging ik van daaruit zoeken en probeerde vanuit de Vloeiweide de Turfvaart te bereiken. Ik weet me nog te herinneren dat er een bruggetje lag. Maar tegenwoordig is het gebied oostelijk van de Vloeiweide waar de Turfvaart door heen stroomt tot een niet toegankelijk natuurgebied verklaard. Bovendien stroomt de Turfvaart op die plaats niet door het bos en dat was bij Klein Zwitserland wel het geval.

 

Maar even ten Noorden van de Vloeiweide ligt nog een rechthoekig bosperceel waar de Turfvaart wel doorheen stroomt. Dit stuk bos ligt nabij de Mastdreef. Hier kopt al iets niet met mijn herinneringen. De Mastdreef is een verharde weg, was die in 1953 ook verhard? Ik dacht dat we vanaf de Rijsbergseweg alleen maar over zandpaden fietsten. Maar herinneringen kunnen vervagen na 57 jaar denk ik maar. Omwonende bevestigden toch mijn vermoeden dat dit stuk bos inderdaad Klein Zwitserland moet zijn. Een oudere buurtbewoner weet zich zelfs nog te herinneren dat het terrein inderdaad door de verkenners van de Oranjeboomstraat werd gebruikt. Maar wat een desillusie, wat is er overgebleven van ons speelbos langs de Turfvaart. Er loopt slechts één pad doorheen dat dood loopt tegen de Turfvaart. Aan de overkant ligt nu een motortrial terrein van de motorclub Breda. Het gebied is erg verwilderd en is verder nauwelijks toegankelijk. Het ziet er nogal verwaarloosd uit. En het meest opmerkelijke, de zandvlakte tegen het water is nergens meer te bekennen. Kan zoiets in 50 jaar geheel begroeid en overwoekert raken? Wel ontdekte ik 2 vrij grote ondiepe kuilen waar, toen ik er dit jaar was, water instond. Waren dit de oude zandkuilen? En de Turfvaart een helder beekje? Het is niet meer dan een gewone sloot met bruin water. Een beetje welp zou er zo overheen springen en dat was in mijn jeugdherinneringen zeker niet het geval. Heb ik dan al die jaren visioenen gehad als ik terugdacht aan Klein Zwitserland. Sommige jeugdherinneringen kun je beter laten voor wat ze zijn. Van wat in mijn herinneringen een klein paradijsje was, is totaal niks over. Vooral het niet terug kunnen vinden van de zandverstuiving zit me niet lekker. Ik vraag me zelfs nog steeds af of ik echt wel op de juiste locatie ben geweest. Teleurgesteld ben ik er snel weer weggaan.

 

 

 

 

Bruggetje over de Turfvaart aan het eind van de Mastdreef

 

 

Ik neem aan dat de Sint Hieronymusgroep net als andere traditionele jeugdbewegingen in de snel veranderende maatschappij gedurende de roerige jaren 60 een wat moeilijke tijd heeft gekend. In 1968 is de Sint Hieronymusgroep dan ook als zelfstandige verkennersgroep opgeheven en hebben de overgebleven leden zich aangesloten bij de Martinusgroep uit Princenhage. Enige jaren gevolgd door de verkennersgroep van het Heuvelkwartier. In de jaren 70 is de verkennerij drastisch gemoderniseerd en omgevormd tot wat tegenwoordig Scouting heet. Ik vraag me af of er niet meer bezoekers van deze site zijn die herinneringen hebben aan de Sint Hieronymusgroep of aan Klein Zwitserland? Ik zou ervaringen van andere oud leden graag eens horen. Zijn er soms nog meer mensen die nog foto’s bezitten van de Sint Hieronymusgroep? Het zal toch niet zo zijn dat dit ene fotootje van ons welpengroepje uit 1953 de enige visuele herinnering is van de verkenners uit de Oranjeboomstraat. Gelukkig heb ik ook nog steeds een tastbaar aandenken, m’n Welpenpetje, het past niet meer maar heb het na 57 jaar nog steeds.

 

 

 

 

In het rechthoekig stuk bos in het midden, net onder de naamaanduiding “Effen-Rith” heb ik dus gezocht naar mijn jeugdherinneringen aan Klein Zwitserland. Is dit inderdaad het Klein Zwitserland uit mijn jeugd? De Turfvaart is op de foto niet duidelijk als beekje te zien, maar wel te herkennen omdat de beek is omzoomd door bomen en als een rechte lijn loopt van linksonder naar middenboven. Dus door het bedoelde bosgebied heen. Het bosgebied linksonder is het landgoed de Vloeiweide. Rechts ligt het dorp Effen aan de Rijsbergseweg die goed herkenbaar is.

 

 

Ton Frijters.

 

November 2010

 

Home

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN