Bron: www.bndestem.nl

 

Het leven is weer goed voor Thijs

 

 

BREDA - Voor een man die vroeger ‘niet opzij ging’ voor een fles whisky

op een avondje, zijn de twee jonge borreltjes tijdens het interview peanuts.

“Omdat jij zo aandringt, want drinken doe ik niet meer zoveel.”

 

 

“Roken nog wel. Dat rookverbod hè, dat hangt me mijlenver uit de strot. Ze zijn de horeca aan het vermoorden. Ik ben bezig met een liedje daarover. Eerst dacht ik ‘als de rook om je hoofd is verdwenen,’ maar dat heeft al iemand geschreven, geloof ik.” Thijs van der Molen (artiestennaam voor Ter Mohlen) maakt zich kwaad, maar kan dat niet zonder humor. Dat bleek al tijdens het maken van de afspraak. “Doe maar de Boschwachter” zei hij. Op de vraag of hij die in het Liesbos of het Mastbos bedoelde, was het antwoord: “Doe jij maar het Liesbos, dan doe ik het Mastbos.” Het werd het Mastbos. Thijs zit aan een tafeltje, vol met krantenknipsels, singletjes en lp's, maar ook een enkel cd'tje. Zeventig is hij (Niet opschrijven, want dat is schadelijk voor de optredens) dus hij heeft veel verleden.

 

Graag praat hij over alle successen, op de radio en de tv, de hits, het optreden voor Beatrix, de duo's met Pierre Kartner, Demis Roussos, André van Duin. Over de samenwerking met Huub Matron en echte Bredase namen als Bouk Martens, Bram Eigeman. En over John Krispijn, aan wie hij zoveel te danken heeft vanwege de liedjes en de arrangementen. Over Drinke totteme Zinke, precies veertig jaar geleden zijn eerste hit, over Het Brabantse Land. En natuurlijk over zijn roemruchte kroeg in het Ginneken. Maar over de schaduwkant wil hij het ook hebben. “Ik ben zo'n chaotische en onaangepaste man, ik weet nooit wat ik over vijf minuten ga doen. Er zit geen lijn in mijn leven en dat heeft me ook de kop gekost. Een voorbeeld? Nou, zo maar op een zaterdag fietste ik in de buurt van mijn café. Zag ik een man of tweehonderd in gala voor de deur staan. Ik had een trouwpartij, maar was dat helemaal vergeten. Ik ben als een gek naar mijn zus gereden en heb ze iedereen laten bellen die me kon helpen. Bij Bali bestelde ik een buffet. Dat kon helemaal niet zo snel, zeiden ze, maar het kwam er wel. Werd het toch nog een leuk feest. Gelukkig was de werkster die ochtend geweest.”

 

Carpe Diem, pluk de dag. Dat is zijn motto. “Maar het komt ook wel eens niet goed in het leven. Ik heb niet echt in de goot gelegen, maar ben wel veel kwijtgeraakt. Heel veel. Ik was zo eigenwijs om geen manager te nemen. Onderhandelde dus zelf over de gage bijvoorbeeld, maar dan kreeg ik steeds te horen “jij kunt me wel matsen.” En dat deed ik dan ook. Zakelijk ben ik de grootste lul die je maar kunt bedenken. In mijn kroeg deed ik niks op de pof. Maar als iemand geen geld bij zich had, leende ik hem 25 gulden. Soms ook meer, maar terug vragen, vergat ik vaak. Er hielden in die tijd veel mensen van me. De fouten die ik heb gemaakt, vind ik wel heel erg. Mensen die in me geloofden en me vertrouwden, heb ik veel pijn gedaan. Schulden gemaakt die ik niet terug kon betalen. Ze vinden je een aardige vent en als je het dan laat afweten, doet het ze pijn. Mij nu nog.” Tonnen verdiende hij ooit, maar hij moet het nu doen met zijn AOW. Zijn dagen brengt hij vooral door met fietsen. Veel fietsen. “Ik fiets me het lazarus. Ik ben in een jaar twintig kilo afgevallen, van 140 naar 120 kilo. Ik voel me weer als een jonge god.” Behalve dat hij als een soort mantelzorger af en toe een paar uur op mensjes past gaat hij solo door het leven. “Ik kan heel goed alleen zijn en ben dat ook al heel lang. Drie, vier serieuze relaties heb ik gehad. Met de eerste ben ik kort getrouwd geweest. We hebben een dochter, Nicole, geboren in 1965 toen ik in Afrika zat als koopvaardijofficier.”

 

Thijs woont niet ver van de Zandbergweg waar hij is geboren. Op 7 oktober 1938. “Mijn vader werkte op de gasfabriek. Het was geen vetpot. Mijn moeder heeft ook altijd heel hard gewerkt. Ook in de kroeg. Haar saté was wereldberoemd. Ik heb ze nooit nee horen zeggen. Ik heb twee broers en een zus en of we nou één vriendje meebrachten om te eten of honderd, dat maakte haar niks uit. We hebben echt een fantastische jeugd gehad. Het gaat nu ook goed met me, na zware tijden. Alles was ik kwijt. Maar ik zeg maar zo: de deurwaarder kan alles van je afpakken, behalve je gevoel voor humor.” Zijn gedachten gaan terug naar zo'n twintig jaar geleden: “Zakelijk was het toen al onrustig. Het was braderie in het Ginneken, dat weet ik nog. Ik had mijn auto aan de rand van het bos laten staan, zonder benzine. Ik ging een paar dagen logeren bij kennissen in Den Haag. Thijs niet op de braderie en zijn auto bij het bos. “Die heeft zich opgehangen,” was al snel het gerucht. Man, ik had niet eens genoeg geld om een touw te kopen. Had natuurlijk iemand geroepen met een slok te veel op. Mensen hielden zelfs weddenschappen, heeft-ie het nou wel of niet gedaan? Kom ik terug in Breda, vallen er bij de stoplichten mensen uit hun auto van verbazing. De barjuffrouw van een café sprong achter de bar vandaan en riep “Thijs je leeft nog.” Nou, er waren er veel die blij waren, maar een enkeling was ook teleurgesteld.”

 

Lang geleden, bij opnames voor het tv-programma Op Losse Groeven, of Op Volle Toeren, hij weet het niet meer precies, vermaakte hij het publiek in Leijsdream in Roosendaal. “Een paar duizend man op de tribunes. Alles stond op z'n kop. Komt na afloop André van Duin naar me toe: “Hé Molenmans, luister eens even. Je zet hier de tribunes op z'n kop, maar ik heb alleen maar je rug gezien. Je moet met je kop in de camera duiken waar het rooie lampje van brandt. Laat die mensen op de tribune nou maar. Morgen kijken er drie miljoen mensen naar de televisie en die willen je smoel zien.” Ik word er nu nog kwaad om. Wat stom was ik. Ik ben altijd een klein kind gebleven. Nu nog. Ze vragen nog wel eens naar me voor een optredentje hier en daar. Kunnen ze me niet vinden, want ik heb nog steeds geen management. Ik ben er overigens wel mee bezig, dus wie weet. Soms denk ik moet je nou honderd jaar worden om te snappen hoe het zit? Zakelijk? Niet aanwezig bij Van der Molen.”

 

Een sterk verhaal uit de tijd van café Thijs: “Chriet Titulaer belde me een keer op. Beetje fietsen, borreltje drinken, je kent dat wel. Chriet is een maat, hij is met een Bredase getrouwd. Maar ik had geen tijd, ik moest een tuinfeest verzorgen. Zegt Chriet dat hij wel meehelpt met glazen spoelen. Even later belt mijn bedrijfsleider. Er zitten drie heren hier in het café die zeggen dat ze astronaut zijn en Chriet willen spreken. Wij lachen, maar toch zijn we gaan kijken. Zaten ze er echt! Ik herinner me nog één naam: Ron Evans. Hij was van de Apollo 17. Ik iemand van de krant bellen. “Ik heb geen dienst,” zei die oetlul. “Heb jij dan wel eens met iemand gesproken die naar de maan is gevlogen?, vroeg ik nog. Maar hij kwam niet.” Nog een sterk verhaal, uit dezelfde periode: “Zat de grote baas van de KLM hier, Orlandini. Ik wist dat het jazzfestival bezig was geweest met een orkest uit Buenos Aires, the Porteña Jazzband. Maar die mannen wilden hun vrouwen en kinderen meebrengen en dat was te duur. Orlandini regelde voor mij dat ze mee zouden kunnen in een half leeg vliegtuig dat toch van Argentinië naar Schiphol vloog. Ik de organisatie van het Jazzfestival gebeld. “Laat maar,” zeiden ze, “we hebben al een ander bandje.” Nou vraag ik je.” “Heden mosselen. Morgen gij.” Het was een bordje in het roemruchte café, dat niemand snapte. Thijs eigenlijk ook niet. “Ach, als je maar lol hebt. Het was bij mij nooit van hoeveel zit er straks in de la?, maar wel als het maar gezellig is. Waar het allemaal aan op is gegaan? Aan vrouwen? Nou, daar heb ik goed aan besteed, maar niet voor de liefde, als je begrijpt wat ik bedoel. Aan gokken? Ja. Ik had het allemaal nooit door mijn vingers moeten laten glippen. Dat had nooit mogen gebeuren. Soms vraag ik me wel eens af: zou ik eigenlijk wel goed wijs zijn?”

 

 

23 november 2008

 

Home

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN