Katholiek Nieuwsblad

 

Het ontstaan van de koran

 

Recent wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat de koran ontstaan is

 uit joodse en Aramese invloeden en geen ‘ongeschapen’ boek is.

 

 

Stefan de Warsage

 

Wat hebben arabisten al die jaren gedaan? Dat vraag je je af als je de recente literatuur leest over het ontstaan van de islam. Nog in 1979 schreef de Duitse koranvertaler Rudi Paret dat er geen reden was te geloven dat ook maar een enkel koranvers niet van Mohammed zelf afkomstig was. Dat was de deun van de arabisten van de oude school, waarmee zij bijdroegen aan de instandhouding van een belangrijke islamitische mythe: dat de koran een boek zonder context is, een uit de hemel gevallen boek dat volgens soennitische moslims zelfs ‘ongeschapen’ is, zonder een historische, taalkundige of godsdienstige voorgeschiedenis.

 

 

Mohammedboeken

 

Het doek begint echter te vallen voor deze arabisten: van alle kanten duiken er ‘revisionisten’ op, die de koran een vaak intrigerende context geven. De nieuwe benaderingen baseren zich op tekstkritische studie van de koran, maar ook op recente vondsten van oude koranversies, op hernieuwde bestudering van de politiek-religieuze ontwikkelingen in de zesde en zevende eeuw en op kritische lezing van de oudste biografieën van Mohammed. Ook wat die biografieën betreft, vraag je je af wat arabisten al die tijd gedaan hebben: ze blijken pas 150 tot 200 jaar na Mohammeds dood geschreven te zijn. Voor normale wetenschappers reden genoeg ze uitermate kritisch te lezen. Hans Jansen laat in zijn recente Mohammedboeken zien dat ze vaak verhalen presenteren om onduidelijke koranteksten te verklaren, of om partij te kiezen in soms politieke ruzies in de eeuw na Mohammeds dood. De meeste arabisten hebben ze steeds klakkeloos gebruikt als ‘ware’ geschiedenis.

 

 

kn2514f

 

Door het werk van verschillende wetenschappers wordt

duidelijk dat de koran ook een boek van mensen is.

 

 

Aramees

 

Voor de westerse lezer is de koran een lastig boek. Er zit geen volgorde in. Er worden toespelingen gemaakt op bijbelse personen, maar er is zelden sprake van een afgerond verhaal. En al willen moslims het niet graag toegeven, twintig procent van de koran is gewoon onbegrijpelijk. Dat wordt anders als Christoph Luxenberg - een pseudoniem overigens - gelijk heeft. Volgens Luxenberg is de koran, anders dan het boek zelf claimt, geen exclusief Arabische tekst. Volgens zijn stelling is de taal van de koran veeleer een mengsel van Arabisch en Aramees, toen de meest verspreide taal in het Midden-Oosten. Arabisch en Aramees verhouden zich ongeveer als Duits en Nederlands: al hebben de meeste woorden dezelfde wortels, toch betekenen zij vaak net iets anders. Voor de naam Mekka, de heilige stad van de islam, is geen Arabische wortel te vinden. Luxenberg vond die wel in het Aramees, waarin het woord zoiets als vallei betekent (Mekka ligt in een dal). Luxenberg benaderde vanuit deze invalshoek lastig vertaalbare passages in de koran met soms verbluffende resultaten. Zijn ‘Aramese’ lezing van de favoriete tekst van jihadi’s blijkt niet te zeggen dat ‘grootogige’ maagden hen na de marteldood in het paradijs opwachten. Het zou veeleer om trossen witte druiven gaan… Die lezing past in de traditie van de Syrisch-orthodoxe (Aramese) kerk, waarin Efraïm de Syriër het paradijs in soortgelijke termen beschreef. Luxenberg vindt met zijn methode zelfs toespelingen op de Eucharistie in de koran! Luxenberg gelooft dat de oudste delen van de koran eigenlijk een soort lectionarium waren uit de Syrisch-orthodoxe Kerk. De korantekst krijgt een context.

 

 

Geschiedenis

 

Luxenberg wijst er verder op dat de rond 660 vastgestelde korantekst aanvankelijk een platte tekst was. Arabische letters veranderen van betekenis als je er puntjes boven of onder zet. Met accenten kunnen de niet geschreven korte klinkers worden aangegeven. Toevoeging ervan kan tot een heel andere betekenis leiden. Al die tekens werden echter pas ruim honderd jaar later aangebracht. Luxenberg gelooft dat daarbij veel fouten zijn gemaakt. De latere Arabieren wisten niets meer van het mengdialect van Mekka en probeerden Aramese woorden te arabiseren. Het leidde tot een zowel onjuiste als vaak onbegrijpelijke korantekst. De meeste moslims willen hiervan niets weten en geloven dat de oorspronkelijke uitspraak mondeling goed overgeleverd is. Maar juist op dit punt is ander nieuw onderzoek interessant. In 1973 werden in Jemen oude koranteksten gevonden, die thans uitgegeven worden door de Duitse arabist Gerd Puin. Die laten zien dat er inderdaad sprake is van afwijkende lezingen. Van een uit de hemel neergedaalde tekst wordt de koran steeds meer een tekst met een eigen ontwikkelingsgeschiedenis. Puin wil nu hard gaan werken aan een tekstkritische editie van de koran, waarin de verschillende lezingen in het notenapparaat worden verwerkt.

 

 

De islam heeft een deel van de joodse wet overgenomen

 

De zoektocht naar oude koranteksten wordt nog fascinerender. Recentelijk berichtte de Wallstreet Journal dat een grote collectie van oude koranversies, ooit verzameld door Beierse jezuïeten, in de Tweede Wereldoorlog niet vernietigd is, zoals steeds gedacht is, maar door een Duitse arabist verborgen is tot ver in de jaren negentig. Aan de publicatie ervan wordt thans gewerkt.

 

 

Context

 

Voor niet-moslims is al lang duidelijk dat Mohammeds leer wortels gehad moet hebben in het jodendom, het christendom en de gnostiek. Het wemelt in de koran van bijbelse personen, vaak met afwijkende namen, van Abraham tot Jezus en van Mozes tot Maria. Ze worden allemaal voorgesteld als moslims avant la lettre. De koran neemt verhalen uit apocriefe evangeliën over (Jezus die vogels van klei tot leven wekt). De koranitische voorstelling dat Jezus op het kruis alleen maar leek te sterven, komt uit de gnostiek. Er is nog meer gnostiek in de islam: net als de gnostische dualist Mani zag Mohammed zich als het zegel der profeten en de door Jezus beloofde Helper.

 

 

De koran is ook een boek van mensen

 

Tot nu toe is het echter moeilijk gebleken al deze wortels preciezer in kaart te brengen. De Vlaamse oosters filoloog Van Reeth heeft daar recentelijk een poging toe gedaan. Hij wijst op een reeks vervolgingen van ketterse groepen in de zesde eeuw, zoals de aan profetie hechtende montanisten en de gnostische manicheeërs en paulicianen. Die vluchtten naar de randen van het Byzantijnse rijk, onder andere de Arabische vazalstaat der Ghassaniden. Daar gaf de Syrische-orthodoxe Kerk de toon aan, die altijd al sterk beïnvloed was door het monarchianisme (God als absolute monarch, niet zozeer als Drie-ene God). Van Reeth ziet deze religieuze mix in het Ghassanidenrijk als de bakermat van de islam. Interessant genoeg, al blijven er vragen voor verder onderzoek. Hoe kon een zo sterk door het antimateriële manicheïsme beïnvloede religie geloven in de opstanding van het lichaam? En vanwaar precies de joodse invloed: de islam heeft ten slotte een belangrijk deel van de joodse wet overgenomen.

 

 

 

Jezus

 

Intussen gaan Luxenberg en de Duitse godsdiensthistoricus Ohlig nog verder. Ze menen dat de koran in eerste instantie een boek was over Christus en dat met de in de koran slechts vier keer vermelde Mohammed (‘de geprezene’) aanvankelijk Jezus bedoeld was. Er is goede reden behoedzaam te staan tegenover zulke vergaande interpretaties. De Dode Zee-rollen hebben laten zien dat nieuwe vondsten vaak tot sensationele maar onjuiste verhalen leiden. Tegelijk zijn deze ontwikkelingen in het koranonderzoek uiterst boeiend.

Als één ding duidelijk wordt, is het wel dat de koran geen ‘ongeschapen’ boek is. Wat men ook denkt over goddelijke inspiratie – dat is een zaak van moslims – het is ook een boek van mensen. Zou de islam in staat zijn tot een exegetische verwerking van dat gegeven, dan kunnen we later deze eeuw eindigen met een minder verkrampte islam. Het zal hoe dan ook een pijnlijk proces zijn.

 

 

4 april 2008

 

Home

 

stats count

 

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN