Bron: www.bndestem.nl

 

“Geef het stadshart Breda terug

aan de bewoners”

 

 

 

BREDA - Om Breda zijn ziel en oorspronkelijke vitaliteit terug te

geven, moet de stadskern anders worden gebruikt.

 

 

Het bouwen in en het inrichten van de historische binnenstad moet meer in overeenstemming gebracht worden met de oorsprong en organische groei van de circa duizend jaar oude rivierstad. Dat is - in alledaags Nederlands - de kerngedachte van “Een twijg van duizend jaar,” een essay van architectonisch vormgever Eloi Koreman (53). De Bredase bouwkunstenaar streeft - en zeker niet als enige - een nauwe(re) samenhang tussen stedenbouw en erfgoed na. Maar hij heeft er een eigen visie op die hij, op uitnodiging van uitgeverij De Geus, in karakteristiek, half-poëtisch taalgebuik heeft vervat. Resultaat is een tachtig paginaatjes tellende, met schrijf- én tekenpen geïllustreerde “handleiding voor het gebruik van de oude stadskern,” zoals de ondertitel luidt. In die handleiding reikt Koreman zijn artistieke en ambtelijke vakbroeders in de stedenbouw en stadsplanologie, beleidsmakers en politici een persoonlijke analyse plus een aantal aanbevelingen aan. Die zijn niet alleen op Breda maar in principe op alle historische stadskernen – ‘van Gent tot Delft’ - toepasbaar, meent Koreman. Daarom schrijft hij niet over Breda (Breda Aa), maar over de stad Aawijd en versleutelt hij op soortgelijke wijze plaatselijke persoons- en straatnamen. Om dezelfde reden houdt hij zijn pennenvrucht vanmiddag ten doop bij Erfgoed Nederland te Amsterdam, waar prof. Koos Bosma, hoogleraar Architectuurgeschiedenis en Erfgoedstudies (VU), het eerste exemplaar in ontvangst neemt.

 

In zijn essay onderscheidt Koreman zeven algemene stedelijke constanten: de ondergrond, wonen, de (huizen)casco's, de bouwblokken, de bouwmethode, het daklandschap en de groene (natuur in de) stad. Die constanten komen overeen met de wezenskenmerken van een vitale, gezonde stad waarin het goed wonen is. Als één van die karakteristieken wordt verstoord, dan raakt de organische samenhang van de binnenstad uit balans en loopt de leefbaarheid schade op. Wat overigens niet betekent, dat Koreman een rigide anti-sloopbeleid voorstaat. “Van mij mogen ze alles slopen, als ze maar weten wát ze slopen,” zegt hij, verwijzend naar de eind november 2005 neergehaalde achterbouw van De Beyerd ten gunste van wat nu het Graphic Design Museum heet. “Door de sloop van de binnenplaats met de de Toscaanse zuiltjes is de patio van De Beyerd nu zo doods als de binnenkant van een urn. De ziel is eruit.”

 

Voor de leek zal zijn essay een wat onwennig verhaal zijn. Om heel summier een idee te geven van zijn met veel eigen aforismen gelardeerde betoog - Benzine is de heroïne van onze hedendaagse economie - keren we hier toch maar even terug naar 's mans eigen habitat: het stadshart. Belangrijke schendingen van de historische ondergrond (constante 1) vindt Koreman de Mark- en Havendemping, respectievelijk in de jaren 1930 en ‘60 en de bouw van de Barones in de jaren 1990. De oorspronkelijke bodemstructuur werd er onherstelbaar voor verwoest. De recente verwijdering van grote delen van de middeleeuwse stadsmuur bij de aanleg van parkeerkelders beschouwt hij als een inbreuk op het wonen (constante 2). Immers de aanwezigheid van de stadsmuur, die de bevolking veiliger liet wónen, ‘brandmerkte’ Breda tevens met zijn stedelijke identiteit. Die stenen stadswortels zijn dus letterlijk uit de grond gehaald.

 

De auteur kritiseert de vele platte daken van winkels - een dumpplaats van technische installaties - en parkeergarages. Het daklandschap verandert in een schroothoop (6e constante). Zelf bepleit hij de massale terugkeer van punt- of zadeldaken in de Bredase skyline. De stadskernen, redeneert Koreman, zijn voornamelijk vanuit de woonfunctie ontstaan en moeten teruggegeven worden aan de bewoners. Zij zijn immers degenen die letterlijk het leven in het stadshart houden en gastheer zijn van de centrumbezoekers. Daaruit volgt bevordering van de leefbaarheid, ook planologisch, om rustig én rustiek wonen mogelijk te maken, zodat de stadshartbewoner zijn broodnodige rust krijgt. Kleine winkels en kroegjes met lage decibels zijn dan geen bezwaar, maar winkelketens, parkings en discotheken zouden à la de woonboulevards dienen te verkassen, samen met de op de privacy inbrekende politiecamera's. Meer binnenmilieus als de Willem Merkxtuin (constante 7) kunnen volgens de essayist zéker bijdragen aan het beschutte woonoord dat het stadshart moet zijn. “Moet,” dus. Teneinde het stervend (stads)organisme te redden.

 

 

Eloi Koreman – “Een twijg van duizend jaar” - uitg. De Geus - € 12,50

 

 

21 november 2008

 

Home

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN