Bron: www.bndestem.nl

 

Moerdijk geschikt

voor intensieve veehouderij

 

 

 

FIJNAART - De gemeente Moerdijk heeft nog geen megastallen.

Toch is de gemeente bij uitstek geschikt voor intensieve veehouderij.

 

 

Dat is in ieder geval de mening van Richard Maat, bestuurslid van afdeling Moerdijk van de ZLTO. Hij spreekt liever van intensieve veehouderij dan van megastallen. “Megastal is een verschrikkelijk woord,” vindt Maat. “Het heeft een onsympathieke lading. Bovendien wat is mega?,” vraagt hij zich af. “Is Rotterdam dan ook een mega-stad?” Bij veehouders gaat het, als we het nu hebben over mega of intensief, om stallen met bijvoorbeeld duizenden varkens of honderdduizenden kippen.

 

Schaalvergroting is een must om te kunnen investeren stelt Maat. “We willen als ondernemers produceren wat de consument vraagt, zolang het maar betaald wordt. En daar is die uitbreiding voor nodig.” Agrariërs willen best investeren in het milieu. Maar er moet een win-win situatie zijn. Economisch voordeel heeft ook voordelen voor het milieu. Die win-win situatie is volgens Maat in Moerdijk in overtreffende trap aanwezig. Zelf runt hij een gecombineerd akkerbouw- en pluimveebedrijf in Fijnaart. De meeste veehouders in de gemeente Moerdijk hebben een gecombineerd bedrijf. Daar schuilt het voordeel in. “De meeste boeren verbouwen zelf het voer voor hun beesten. Zo verbouwen wij tarwe voor onze kuikens. Dat betekent dat je minder voer hoeft in te kopen en dat er dus minder vrachtverkeer richting het bedrijf komt. Dat is milieuvoordeel.” Hetzelfde geldt voor het afvoeren van mest. De meeste agrariërs in Moerdijk kunnen de mest die de varkens of kippen produceren uitrijden over het eigen land. Een varkensboer uit Oost-Brabant die geen eigen akkerbouwland heeft en zijn mest vaak afzet in West-Brabant moet daar vrachtwagens voor laten rijden.

 

“Als een boer in Moerdijk al te veel mest heeft, dan is er op het industrieterrein Moerdijk een mestcentrale voor kippenmest. Een varkensboer kan een overeenkomst sluiten met zijn buurman die mest nodig heeft. Dat is allemaal milieuwinst, want er zijn nauwelijks vervoersbewegingen.” Het groter worden van boerenbedrijven vindt Maat logisch. “Groeien willen alle ondernemers. Ook de gemeente. Zevenbergen krijgt een nieuwe wijk, Bosselaar-Zuid. Doordat Zevenbergen groeit, ontstaan er meer mogelijkheden. Dan is er straks misschien ruimte voor een extra sporthal. Zo probeer ik het nut van schaalvergroting vaak uit te leggen.” ZLTO-voorzitter van Moerdijk Adrie Bossers is het eens met Maat. “Schaalgrootte is een subjectief begrip. Een groot varkensbedrijf is anno 2009 iets anders dan anno 1980. En in 2029 is het weer anders. Het heeft geen zin de tijd terug te draaien of stil te zetten. De ZLTO wil dat goed gekeken wordt waar welke schaalvergoting gewenst is.” De ZLTO vindt niet dat alles moet kunnen. “Maar boeren die de ruimte en mogelijkheden hebben, moeten wel de kans krijgen om te groeien. Een milieu-investering als het plaatsen van een luchtwasser rendeert beter als je tweeduizend varkens hebt in plaats van tweehonderd.”

 

 

-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-

 

 

Varkensstallen bij ons zijn nog niet echt mega

 

KRUISLAND - In West-Brabant dook het begrip megastallen voor het eerst op rond Kruisland.

 

 

Dat was halverwege de jaren negentig toen het buitengebied van dit dorp overspoeld dreigde te raken door varkensmesters van elders. Op een gegeven moment lagen er tien aanvragen voor de bouw van een varkensstal in het gemeentehuis in Steenbergen. Uiteindelijk zijn er daar drie van gerealiseerd, te weten een in de Kleine Bolspolder en twee aan de Boonhil en eigenlijk zijn dat volgens de definitie van de landbouwuniversiteit van Wageningen geen eens echte megastallen. Wageningen hanteert als ondergrens bedrijven met 7500 mestvarkens en zoveel dieren mogen de drie Kruislandse ondernemers niet in hun stallen hebben. Bij rund- en pluimveebedrijven spreekt de landbouwuniversiteit van megastallen bij meer dan 250 melkkoeien, 2500 mestkalveren, 120.000 leghennen en 220.000 mestkuikens.

 

Die definities dateren alweer uit 2007 toen de landbouwuniversiteit in opdracht van het ministerie van VROM onderzoek deed naar megastallen. Inmiddels zijn er bouwvergunningen aangevraagd voor veel grotere bedrijven. Zo zijn er plannen voor melkveehouderijen met 500 koeien, varkensstallen voor 35.000 dieren en bij mestkuikens wordt al gesproken in aantallen van een miljoen of meer. Dat zijn al geen megastallen meer maar gigastallen. Ten tijde van het onderzoek telde ons land 184 bedrijven die aan de definitie van een megastal voldoen, de meeste daarvan staan in Brabant en Limburg (varkens) en Friesland (melkkoeien). De verwachting is dat er in 2020 rond de duizend megastallen staan.

 

 

-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-

 

 

Megastallen logisch gevolg van schaalvergroting

 

ROOSENDAAL - Mega, ineens was het woord er en was alles mega:

megaster, megaparty, megavet en nu heb je ook al megastallen.

 

 

En waar het woord mega in de meeste gevallen een positieve ondertoon heeft, heeft het dat bij stallen niet. In de ogen van de goegemeente deugen megastallen niet. Ze worden geassocieerd met stank, te veel dieren op een te klein kluitje en anders hebben onwetende burgers altijd nog wel de televisiebeelden op hun netvlies van grijpers die honderden dode varkens en duizenden dode kippen in containers laden als er weer eens een besmettelijke dierziekte is uitgebroken. En als je in een onnadenkende bui bij de supermarkt een kilo kipfilet of braadworst uit de reclame koopt, knaagt Wakker Dier in een radiospotje aan je geweten met de boodschap dat de dieren waarvan dat vlees afkomstig is, geen goede leven kunnen hebben gehad. Enfin, er is in Brabant nu zelfs al een burgerinitiatief “Megastallen? Nee!” op gang gekomen om de provincie te dwingen de bouw van die stallen te verbieden. Maar zijn die megastallen wel zo verschrikkelijk? Henk Roefs, varkenshouder in Woensdrecht en zelf eigenaar van wat ook gerust een megastal mag worden genoemd, zet om te beginnen vraagtekens bij het woord mega. “Stel dat mijn varkensstallen opslagloodsen voor aardappels zouden zijn geweest. Zou dat dan een megaloods zijn genoemd? Ik denk het niet.”

 

Roefs raakt daar mee aan het imago-verhaal. De intensieve veehouderij voldoet niet meer aan het geromantiseerde beeld dat stadsmensen (en daar kun je tegenwoordig ook gerust het gros van de bewoners van de grotere Brabantse kernen toe rekenen) van een boerderij hebben met een hooiberg, een paar koetjes, kippen op het erf en een boomgaardje met scharrelvarkens en een geit. Dat zie je heel soms nog wel, op een kinderboerderij of als decorum bij een boerderijwinkel met streekproducten, maar de tijd dat een boer zo de kost kon verdienen is lang voorbij. De nu zo omstreden megastallen zijn voor een ondernemende boer als Henk Roefs het resultaat van een logische ontwikkeling. “Dat je als boer steeds groter wilt worden en ook moet worden, wil je overleven. Dat is altijd zo geweest.”

 

Boeren met tien koeien die er mee stopten omdat ze in de fabriek met minder hard werken en op zondag vrij net zoveel konden verdienen. Hun bedrijf werd opgekocht door de buurman die uitbreidde naar twintig koeien, dat werden er veertig, dat zijn er nu honderd en dat zijn straks megabedrijven. Een weg terug is er niet. Volgens Roefs vergeten de aanzetters van het burgerinitiatief dat schaalvergroting ook en vooral noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de steeds strenger wordende eisen op het gebied van milieu en hygiëne. “Die eisen zijn terecht. Daar hoor je mij niet over klagen, maar ze vergen forse investeringen en die kun je alleen maar terugverdienen door je afzet te vergroten.” Melkveehouder Jorge Knipscheer uit Lepelstraat en afdelingsbestuurder van de landbouworganisatie ZLTO beaamt dat. “Hoe groter je bedrijf, hoe eerder het loont om in het milieu te investeren.” Ook hij meent dat de ontwikkeling van megastallen onontkoombaar is. “Ook om sociale redenen. Met een bedrijf van 100 tot 200 koeien moet je als boer zelf altijd nog zeven dagen in de week werken. Pas bij een bedrijf met zo’n 500 koeien heb je zoveel personeel nodig dat je met diensten kunt werken en dan kun je als boer zelf ook af en toe een weekendje vrij nemen.” Voor hemzelf is een megastal geen optie. “Waar ik zit (aan de Ruigevelden bij Lepelstraat, red.) mag ik niet eens een megastal bouwen, maar al mocht het wel, dan zou ik het niet doen. Ik ben nu 38, ik heb geen opvolger, ik kan maximaal 120 koeien melken. Daarmee zing ik het nog wel een jaar of dertig uit.”

 

De Brabantse milieufederatie vindt het burgerinitiatief wel sympathiek, maar steunt het toch niet. Dat komt, zegt directeur Jan van Rijen, omdat de BMF in tegenstelling tot de aanzetters van het burgerinitiatief de voordelen van megastallen wel zien. “En dan vooral omdat je van die stallen makkelijker kunt eisen dat ze de overlast voor de omgeving tot een minimum beperken dan van tien kleinere stallen. En dat geldt ook voor het welzijn van de dieren. Die zijn in een megastal over het algemeen beter af dan in de stallen die we tot nu toe in onze provincie kennen.” Waarmee Van Rijen niet gezegd wil hebben dat hij de bouw van megastallen toejuicht. “We beseffen heel goed dat de dieren in deze stallen overwegend gevoerd worden met soja en tapioca waarvoor tropische regenwouden worden gekapt.”

 

 

-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-

 

 

Zie ook:

 

Fijnaart in beeld

Moerdijk in beeld

Kruisland in beeld

Lepelstraat in beeld

Woensdrecht in beeld

 

 

20 maart 2009

 

Home

 

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN