Bron: BN-DeStem

 

Monumentale gebouwen moeten

vaker een kans krijgen

 

 

image004

 

De Sint Josephkerk in Dongen staat op de nominatie om gesloopt te worden.

 Zulke unieke panden moet je niet slopen, maar een nieuwe functie geven, vindt Gerrit Vermeer.

 (Foto: Kees Wittenbols – juni 2007).

 

 

Het oudste voorbeeld van monumentenbescherming in Nederland

betreft vermoedelijk een besluit van de Staten van Groningen uit 1598.

 

 

In dat jaar gaven de Staten omwonenden toestemming bakstenen te rapen bij het geplunderde abdijcomplex van Aduard, mits de kerk ‘als een heerlick monumentum antiquitatis verschoent ende niet affgebroecken sall worden.’ De enorme bakstenen kerk uit de dertiende eeuw moet van een bijzondere schoonheid zijn geweest. Van die bescherming heeft de kerk uiteindelijk niet geprofiteerd, want algauw was ze verdwenen. Ondertussen is het aanwijzen van monumenten uitgegroeid tot een belangrijk instrument voor het handhaven van de (historische) kwaliteit van onze omgeving, maar met lijstjes alleen doen we ons verleden toch te kort. Alleen al omdat monumenten binnen het geheel van onze bebouwing uiterst dun gezaaid zijn. Er bestaan veel prachtige buurten, waar geen enkel monument staat. Soms zijn monumenten gewoon over het hoofd gezien en soms zijn gebouwen nog zo jong, dat ze nog geen kans hebben gekregen op een lijst te komen. Vaak komen gebouwen ook niet direct in aanmerking voor een lijst, maar zijn ze toch het behouden waard. Wat dat betreft zijn er voor het waarborgen van een interessante en prettige leefomgeving nog verfijndere instrumenten en inzichten nodig.

 

Lijsten kunnen sowieso geen stedenbouwkundige rampen voorkomen. In het centrum van Zeist zijn in het begin van de jaren tachtig, veel eerder dan in de meeste gemeenten, de waardevolle gebouwen zorgvuldig geïnventariseerd. Maar kort daarop zijn zowat alle andere gebouwen in de historische dorpskern platgegooid en zo beschikt het vroegere dorp Zeist nu over een grootsteeds, anoniem winkelcentrum met ondergrondse parkeergarages, waar geen mens zich echt prettig voelt. Soms bespoedigt een mogelijke plaatsing op een monumentenlijst de sloop juist. Dit was het geval met de Pius X-kerk in de wijk Slotervaart in Amsterdam, een belangrijk voorbeeld van de Bossche School uit 1960. Deze prachtige wederopbouwkerk werd, om procedures te voorkomen, opzettelijk gesloopt nog voor er goedgekeurde plannen waren voor nieuwbouw. Nog jaren moet de buurt het hier doen met een kaalgeslagen vlakte. Iets soortgelijks gebeurde in 2007 met de Oosterhoutse Nazarethkerk. De gemeente had de beschikking over een lijstje van de rijksoverheid, waaruit het belang van de kerk als wederopbouwmonument bleek. In plaats van zich het belang van het kerkgebouw aan te trekken, ging dit gebouw op een zaterdagochtend plotseling om, nog voor bezwaren van burgers en verenigingen konden worden behandeld. En dat terwijl woningbouwvereniging WSG, net zomin als De Alliantie in Amsterdam, een concreet uitgewerkt plan voor nieuwbouw kon presenteren. Vermoedelijk hadden de leegstaande kerken in welk plan dan ook een schitterend middelpunt kunnen vormen.

 

De conceptnota Cultuurhistorie, Monumenten en Archeologie van de gemeente Oosterhout noemt de inventarisatie van belangwekkende gebouwen uit de wederopbouwperiode als een belangrijke doelstelling. Inderdaad kan het aanwijzen van monumenten uit die tijd een begin zijn van de zorg voor een waardevolle omgeving. Dat we nog zo veel prachtige historische buurten en monumenten hebben, is echter vooral te danken aan de zuinigheid en de duurzame wijze, waarop onze voorouders omgingen met de gebouwde omgeving. Als het maar even kon, maakten ze gebruik van wat er al stond en gaven ze dat een nieuwe bestemming. Vanaf het begin van de jaren zeventig keerde deze zuinigheid geleidelijk aan weer terug bij het saneren van de negentiende-eeuwse buurten. Hierbij bleek het volledig vervangen door nieuwbouw veel duurder te zijn dan voorzichtige stadsvernieuwing, waarbij zoveel mogelijk gebouwen bleven staan en werden opgeknapt. De bewoners konden door voorzichtige rehabilitatie bovendien in hun eigen buurt blijven wonen en de economische infrastructuur van winkels en kroegen, alsmede de sociale netwerken, bleef in stand. Door deze aanpak toe te passen op alle buurten en bouwwerken die we hebben, zeker ook op die uit wederopbouwperiode, valt enorm veel te winnen. Als we oude gebouwen een kans geven zich aan te passen en opnieuw te ontwikkelen, zoals in de uiterst succesvolle buurt De Pijp in Amsterdam, een negentiende-eeuwse buurt die tot in de jaren zeventig nog werd gezien als een stedenbouwkundige ramp, kunnen er mooie en doorleefde gebieden ontstaan met identiteit.

 

Door handige aanpassing van de wederopbouwwijken en door gebruik te maken van de aanwezige kwaliteiten ontstaan er plaatsen met geschiedenis, waaraan mensen zich kunnen binden. Dat is een veel beter alternatief dan iedere keer alles plat te gooien en de ontwikkeling ter plekke helemaal opnieuw te laten beginnen. Zo krijgt geschiedenis, net als in het verleden, weer een kans. Gerrit Vermeer is als docent monumentenzorg en bouwhistorie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en is lid van de Task Force Toekomst Kerkgebouwen, die streeft naar het behoud en de eventuele herbestemming van kerkgebouwen.

 

 

23 oktober 2008

 

Home

 

 

 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

stats count


 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN