Irak

 

 

Nou een beetje ‘prettig gestoord’ zijn helpt al een heleboel! Ik was in ieder geval niet zo gestoord dat ik er mijn eigen auto aan wilde wagen. Want zo een dergelijke reis vraagt niet alleen veel voorbereiding, maar je auto moet toch echt wel in absolute topconditie zijn wil men dit zonder al te veel narigheid overleven. Maar eerst zal ik de vraag beantwoorden die vele mensen mij inmiddels al gesteld hebben van: “waarom in vredesnaam naar juist dit soort landen?” Bij Jordanië kan menigeen zich nog wel eens wat voorstellen, maar Irak is en was toch wel een hele vreemde vakantiebestemming. Wel, laat ik u vertellen dat het ten eerste al een poosje is geleden. Het was in 1989 dus de situatie was daar weliswaar niet rooskleurig, maar toch niet zoals nu, anno 2006, dat er dagelijks terroristische aanslagen gepleegd werden.

 

Nu zou ik het echt niet wagen. Maar toch, de oorlog tussen Iran en Irak was net ten einde, althans er was een wapenstilstand. Ten tweede, ik, maar niet alleen ik, ook een tweetal goede vriendinnen van mij hadden meer dan gewone belangstelling voor een bepaalde plaats in Irak die wij tijdens onze studie nog al eens waren tegengekomen. We hadden alle drie, zij het op verschillende niveaus theologie gestudeerd en hadden en hebben in hoge mate belangstelling voor het wereldgebeuren én de geschiedenis en dit alles vanuit de studie die wij gevolgd hadden. Wij zijn dus met drie vrouwen én mijn dochter, toen amper 15 jaar, naar het Midden-Oosten gereisd. De lokale krant heeft er later een paginagroot artikel aan gewijd met als kop: ‘Heet en vrouwonvriendelijk.’ Ik had het niet beter kunnen verzinnen! De reden dat ik niet met de eigen wagen ging lag in het feit, dat mijn ‘karretje’ simpelweg niet genoeg comfort bood voor een dergelijke lange reis met vier personen en dito bagage. Want denk eraan dat vier vrouwen heel wat nodig denken te hebben voor zo een lange reis, “hi hi!” en dan: mijn auto was al bijna drie en een half jaar oud.

 

 

 

Billboard met Saddam Hoessein

 

 

Toch was een vliegreis, gezien het feit welke plaatsen wij allemaal echt wilden bezoeken geen optie. Goedkope campingvluchten naar deze bestemmingen waren er nog niet en zullen er waarschijnlijk ook nimmer komen! De kosten zouden dan in de tienduizenden guldens hebben gelopen en dat kon ‘bruine niet trekken!’ Ik ben dus op zoek gegaan naar een autoverhuurbedrijf die deze uitdaging aandurfde. Want ik kwam er al spoedig achter dat men niet stond te ‘trappelen’ mij een auto te verhuren voor een dergelijke bestemming. Ik moest heel eerlijk zijn, want voor die landen was en is de groene kaart niet geldig en er moesten aparte verzekeringen aan de grenzen worden afgesloten en stel dat er wat gebeurt en je moet de verhuurder bellen en dan zeggen: “luister brave man, ik sta in de Syrische woestijn met stukken en ben net aangereden door een kameel.” Dan geeft dat toch wat problemen dunkt me zo! Afgezien van het feit dat de dienstdoende employee bij het verhuurbedrijf denkt met een ‘losgelaten gek’ van doen te hebben en de telefoon neerlegt. Uiteindelijk vond ik een bedrijf in Zwolle, Eurocar, die me wilde helpen en me een grote Ford Mondeo, een ruime 2 liter type of zoiets aanboden voor een goede twee tot twee en een half duizend gulden voor de hele reis! Kijk, dat was klasse, een retourtje Bagdad was toen al 2.500 gulden per persoon! Goed daar komt dan de benzine bij maar hoe oostelijker dat je kwam hoe goedkoper dat spul per liter ook werd, dus dat was ook nog wel te overzien! Mijn vader die toen nog leefde vond het maar een vreemd avontuur. Volgens zijn visie waren de Alpen toch echt wel de uiterste grenzen der menselijke beschaving en dat Oost-Europa gedoe, wat toen nog communistisch was, daar had hij al helemaal niks mee op, laat staan die gebieden die nog verder lagen. Maar hij was dan toch bereid om op de huisdieren te passen, de plantjes en de post te verzorgen. Toen hij afscheid nam van me leek het of hij afscheid nam voor het leven. Zo weinig vertrouwen had hij in de expeditie. Want een expeditie bleek het te gaan worden!

 

Het eerste gedeelte tot Istanbul, dat was gewoon ‘rutsch, rutsch’ en ‘scheuren,’ de 2e nacht logeerden we dus al in een Turks hotel. Het was ook allemaal al bekend terrein voor me en ik wilde zo snel mogelijk en zoveel mogelijk kilometers maken. Ook Istanbul had me weinig nieuws meer te bieden maar toen we de brug over waren en naar het Aziatische gedeelte van Turkije reden begon de eigenlijke vakantie pas voor mij. De Turkse autowegen zijn zonder meer goed te noemen en die ervaring hebben we gehouden tot en met de Irakese grens. Maar tjonge jonge wat is dat land groot! Doe je in twee dagen: Nederland-Istanbul, maar van Istanbul naar de Irakese grens wel dat zijn dus ook nog eens twee dagen en heus de wegen waren er niet minder om, ondanks andere verwachtingen. Alhoewel, de laatste 500 kilometer werden we wel enorm opgehouden door onafzienbare rijen tankauto’s die gingen laden op de Irakese olievelden in het hedendaagse Koerdische deel van Irak. Dus ik had die ‘processie’ van tankauto’s uren en uren voor en achter me. Tegen de avond bereikten we Zakho, de enige grensovergang, achter in oostelijk Turkije, met Irak. Het moet me trouwens van het hart dat de Turken in Turkije stukken en stukken vriendelijker zijn dan de Turken hier in Nederland. Dat zal wel zijn eigen verhaal hebben, maar dáárover als ik Turkije als zodanig ga bespreken.

 

Het viel ons trouwens al op naarmate we oostelijker kwamen en dus ook in de richting van de grens met Irak, dat we personenauto’s steeds minder en minder te zien kregen en de tankwagens nu de absolute overhand hadden. Ook de ‘blikken’ van de heren chauffeurs deden steeds meer aan ‘vraagtekens’ denken. Dat was trouwens toch wel een feit waar we aan moesten wennen. Tja, vier vrouwen in best een grote luxe wagen met een Nederlands nummerbord, die er dan ook nog geen van allen Turks of oosters uitzagen! Dát moét vreemde ‘hersenspinsels’ bij die mannen teweeg gebracht hebben!

 

 

 

Ninevé (1)

 

 

Enfin, eindelijk naderden we het Turkse gedeelte van het grote grenscomplex. De bestrating was hopeloos en duidelijk met opzet, zodat niemand het in zijn hoofd zou kunnen halen daar met grote snelheid rond te ‘kachelen’ of door te rijden. Toch waren de uitreisformaliteiten in een ‘wip’ gebeurd en we reden al over een even slecht en hobbelig wegdek richting het Irakese grenscomplex. Eerlijk is eerlijk, een supermodern grenscomplex en toen we de ‘tronie’ van Saddam Hoessein op een groot billboard ontwaarden, wisten we dat we in Irak waren aangekomen. De bedoeling was het nog tweehonderd kilometer verderop gelegen Mosoel die avond te bereiken, maar dat bleef voorlopig bij de goede voornemens. We hadden dus nog geen kennisgemaakt met de Irakese bureaucratie. De belangstelling en de ‘curiositeit’ die onze aanwezigheid hier teweegbracht was meer dan uitzonderlijk. We hoorden dan ook dat wij na de wapenstilstand met Iran de allereerste toeristen waren die van deze grenspost gebruik maakten. Wij moesten allemaal de auto uit en plaats nemen in een hele grote, zij het moderne hal. Er zaten zeker een honderdtal beroepschauffeurs te wachten op de afhandeling van hun papieren. Irakezen, Iraniërs, Turken, Arabieren, Koeweiti, enzovoorts. Dat geeft toch een ietsjes ander gevoel dan zitten te wachten tussen Duitse, Franse, Belgische of Nederlandse chauffeurs! U begrijpt ongetwijfeld wat ik bedoel!

 

Dan kwam er nog bij dat ik de auto moest verzekeren voor de periode die ik aangaf in Irak te willen verblijven. Die ‘boeven’ rekenden me daar het lieve sommetje voor van 400 Duitse Marken! Maar, daar staat dan tegenover dat ik in Den Haag, voor vertrek het Irakese visum gratis had verkregen! Die 400 Mark zullen vast niet in de zakken van de ‘woeste roverhoofdman’ van Bagdad terechtgekomen zijn. Maar ik had tenminste een geldige verzekering, voor wat ie waard was dan!? Toen de verzekeringsformaliteiten afgedaan waren en de auto van antenne tot uitlaat was gecontroleerd op ‘pief paf poef dingetjes,’ was het alleen nog zaak onze paspoorten terug te krijgen om door te rijden. Maar dat duurde en bleef duren. Nu ben ik toch al niet een ‘geduldig figuurtje,’ maar na nog eens 2 uren wachten werd ik het zat, meer dan dat. Ik vervoegde mij bij de mijnheer getooid in een ‘prachtige jurk’ met dito ‘theedoek’ op zijn kop en vroeg hoelang hij nog dacht nodig te hebben om de paspoorten te controleren. Ik had ondertussen al lang geconstateerd dat vele vrachtwagenchauffeurs, die later waren gekomen al eerder dan wij door konden rijden, daar ze hun paperassen terugkregen. De man in ‘jurk en theedoek’ wist me te vertellen dat het nog een klein uurtje duurde voor zijn dienst erop zat en dat hij ons dan zou vergezellen naar een nabijgelegen hotelletje en maakte met zijn duim en eerste twee vingers een zéér bekend gebaar. Zijn ‘slijmerige kop’ en ‘lispelende tong’ spraken overigens ook boekdelen. Ik ‘plofte van woede’ en verontwaardiging en met luide stem eiste ik de chef te spreken. Na enig tumult en verbazing alom bij het dienstdoende personeel, kwam er zowaar een man aangelopen in een net pak mét stropdas. De Chef dus, de enige die netjes was aangekleed, kon niet missen! Sprak ook nog eens vloeiend Engels, dus ik kon mijn ‘gal spuwen’ en vroeg hem of dat de Arabische manier van welkom heette en gastvrijheid was, om mensen op een dergelijke manier te chanteren en te kleineren. Mijn publiek van pakweg een constante van honderd vrachtwagenchauffeurs, genoten van de voorstelling. Dit was nog nooit vertoond! Temeer dat Irak, toen zeker, een dictatuur was en ambtenaren van die dictatuur waren en zijn dus een verlenging van de ‘Dief van Bagdad!’ Maar ik had weer eens geluk. De chef wist niet hoe hij het zoeken moest en de man die mij dus een oneerbaar voorstel had gedaan, werd door twee geüniformeerde en besnorde soldaten opgepakt en weggebracht. Ik denk niet verder dan de kantine, maar alles in Irak was voor het ‘oog’ en niets was zoals men zag dat het was, maar dat bleek later pas. Enfin, met ‘1001 Arabische excuses’ kregen wij terstond onze afgestempelde paspoorten en stond de weg vrij om het Irakese grondgebied te betreden. Al met al een drie uur durend oponthoud en het liep al tegen negen uur in de avond en dan hadden we nog 200 kilometer voor de boeg, alvorens we Mosoel zouden bereiken om een hotel te vinden.

 

 

 

Ninevé (2)

 

 

De weg bleek in prima conditie te zijn en ik had al berekend dat we voor elf uur in Mosoel zouden kunnen zijn. Maar ik had niet gerekend op een paar militaire controleposten die dolgraag wilden weten: wie we waren, waar we vandaan kwamen en vooral wat we kwamen doen  en …‘most of all:’ waarom we niet begeleid werden door manvolk! Dat Mosoel werd dus één uur in de nacht en ondanks het feit dat Mosoel een grote stad is konden we, zelfs met behulp van een politieagent geen hotel vinden. Ja, we vonden er wel een paar, maar dat was er een gelijk aan een kasteel uit een sprookje met dito prijs, of het waren vieze hokken met restanten van menselijke aanwezigheid op de kamers, waarvan alleen de beschrijving al, de ‘censuur van de uitgever’ bij op tilt zou slaan. Wat een viespeuken! Maar goed, na lang zoeken vonden we aan de buitenkant bezien een aardig optrekje en we waren echt uitgeput en besloten toch maar een paar kamers (hokken) te nemen. We zijn echt onze kleren niet uitgeweest, dát durfden we niet! en een douche? Wat is dat?, hoezo douche?, niks douche dus! Maar goed, ondanks het niet te frisse bed en dito kamers waren we de andere dag toch redelijk uitgerust en we gingen onze reis voortzetten naar Bagdad, een nog kleine 4 tot 5 uurtjes rijden over overigens prima autobanen. Veelal vierbaans en met telecommunicatie en al voorzien om de Irakese ‘tegenhanger’ van de ANWB eventueel te bereiken. Onderweg hadden we al een aantal keren de rivier de Tigris gepasseerd en dat gaf ons toch een apart gevoel dat je bijvoorbeeld op een brug stond en dan wetende dat de Tigris onder je door stroomt, evenzo later bij de Eufraat.

 

Vroeg in de middag bereikte we de hoofdstad van Irak, Bagdad, een moderne maar duidelijk Arabische stad, rommelig en zanderig. Helaas waren alle richtingsborden om strategische redenen (net na de oorlog met Iran) overal nog verwijderd. Maar een centrum van een grote stad vinden is niet zo’n hele grote klus en we vonden al gauw een hotel, dat we heden ten dage nog steeds vernoemd horen op het nieuws en daar namen we voor een week onze intrek.

 

 

 

Herbouwde ruïnes van Babylon

 

 

Nou moet ik eerlijkheidshalve opbiechten dat het Irakese geld toen in die tijd erg duur was, maar het was een door de Irakese staat eenzijdig bepaalde waarde. Via via had ik een flink pak Irakese dinars ‘versierd’ wat ons overigens de hele week voorzien heeft van alle ‘geneugten’ die men daar maar kon kopen! Als u eens wist wat ik daarvoor had betaald voor dát pak ‘monopolygeld’ met dat ‘snuitwerk’ van Saddam erop? ‘Ha ha, ik lachte in mijn vuistje!’ Onze hotelkamer, een soort van conferentiekamer met 4 bedden en met een prachtige badkamer, een ruime vergadertafel, diverse zitjes en natuurlijk een foto van de ‘grote roerganger’ aan de wand. Televisie en radio met constant ‘geblèr, religieus gedoe en politieke bla bla bla’ deden het wel, maar werden door ons weinig tot niet gebruikt. Behalve bij het toevallig zien/zappen van een executie in het openbaar door een Saoedisch-Arabische zender. Dat was weliswaar niet smakelijk, maar mijn nieuwsgierigheid won het toch van de inwendige afkeer. Niet te vergelijken met ‘Den Haag Vandaag’ of ‘Nova!’

 

Ondanks dat het een modern en goed uitgerust hotel was stootte ik wel een paar keer per dag op vrome Moslims, die midden in de gangen tijdens de gebedsuren de hele gang barricadeerden als ik er toevallig langs heen wilde lopen. Nou mag iedereen van mij bidden wanneer en waar hij maar wilt, maar ze moeten me dan niet beletten om door nota bene een gang van een hotel te lopen. Dus erg veel vrienden maakte ik daar ook niet. Maar goed dat was ook niet de opzet. Bagdad werd gedomineerd door de persoon van Saddam Hoessein, overal zag je hem afgebeeld. Dan als piloot, dan als rechtsgeleerde, dan als arbeider met een kolenlamp, dan als hoge militair, dan als een vaderlijk figuur die zich uitstrekte naar kindertjes. ‘Zum Kotzen!’ Zelfs in de kleinste winkels hing een foto van dat figuur aan de muur. De echte oude binnenstad was verbazend klein. Het hedendaagse Bagdad is een grote miljoenenstad, maar van het oude centrum daar is niet veel meer van over. De paleizen van Saddam, in oosterse stijl weliswaar opgetrokken, waren toch vrij modern en de diverse moskeeën evenzo, op een enkele na.

 

Toch maakte de stad en het land geen armoedige indruk, integendeel zou ik haast zeggen. Alles was te koop en echte armoede heb ik althans niet kunnen constateren. Ook het wagenpark was niet echt slecht te noemen en de duizenden taxi’s moesten het toch echt hebben van de Iraki’s zelf en niet van die enkele en spaarzame toerist. Een plattegrond kopen van de stad was er niet bij, want alles lag wat dat betrof onder embargo. Overal zag je nog afweergeschut tegen de Iranese bommenwerpers en die gedeelten die getroffen waren geweest, werden door middel van houten wanden aan het gezicht onttrokken. Natuurlijk wilden we gaan ‘flaneren’ en wandelen op straat en over de boulevards en dat is op zich ook best interessant, ware het niet dat je constant wordt aangesproken als vrouw. Want het ‘jachtseizoen’ is daar echt altijd open en tja, als je de Islamitische visie kent over de westerse, dus niet-Islamitische vrouwen en mensen in het algemeen. Ja, dan doe je als vrome Moslim weinig verkeerd hé? Wij zijn toch maar ‘brandhout voor het hellevuur’ in hun ogen, dus waarom zou je je dan er niet even mee kunnen plezieren, als je er de kans voor zou kunnen krijgen? Natuurlijk niet elke Islamiet zal zo denken, maar de Koran beschrijft het wel zo en velen volgen de Koran tot op de letter!

 

 

 

Toegangspoort van Isthar – Babylon

 

 

Maar het uiteindelijke doel van onze reis lag nog een kleine 60 kilometer zuidelijker van Bagdad! Het wereldberoemde Babylon! Op vele plaatsen met name in het oude testament aangehaald en in het bijzonder in het laatste boek van het Nieuwe Testament, het boek Openbaringen, vermeld als een stad die in de (naaste?) toekomst een ‘survival’ zal gaan meemaken en dé grote, neen, de voornaamste stad zal worden qua wereldhandel en symbool staat voor alles wat verderfelijk en anti-Christelijk is. Nu was ik in onze opleiding geconfronteerd geworden met een leraar die er veel over wist te vertellen, maar hij wist ook te vertellen dat men deze stad weer aan het opbouwen was. Nu wil ik veel geloven, maar af en toe een bewijs is toch ook wel erg prettig en bewijzen vond ik niet, noch in bibliotheken, noch elders. Internet was er ook nog niet! Maar de leraar in kwestie kwam toch met een aantal feiten aanzetten waar ik niet om heen kon en mijn nieuwsgierigheid was gewekt en dáár lag de grond voor de reden om naar Irak af te zakken en zelf met eigen ogen een en ander bevestigd te krijgen.

 

 

 

Welcome to Babylon

 

 

Nu werd het spannend en nog geen 60 km van ons doel af, maar hoe moesten we er komen? Richting- of aanwijsborden waren er dus niet en de weg vragen als vrouw in zo een stad, ach dat doe je een paar keer en dan heb je er verder je bekomst van. Dus, met een horloge en de zon kom je een heel eind, zeker als je weet dat Babylon pal ten zuiden van Bagdad ligt. Binnen het uur reden we dan ook het eeuwen en eeuwen oude Babylon binnen. Hier stond overigens wél een plaatsnaambord, zelfs met ‘onze’ letters en natuurlijk in het Arabisch. Foto’s zeggen meer dan woorden, maar het maakte een hele, hele vreemde indruk op ons. De oude toegangspoort van Isthar was verwijderd en staat in Berlijn in het Humboldtmuseum, dat wisten we, maar alles was opnieuw opgebouwd. De plaats waar de hangende tuinen hadden gelegen (gehangen) was men aan het restaureren. De Laan der Processies was al klaar en een heus welkomstgebouw deed weliswaar denken aan een toeristische attractie, maar het was meer! Hier was iets groots bezig. Dit had potentie en vreemd genoeg, ondanks alle oorlogen die er ondertussen geweest zijn met onder andere de Amerikanen, de Iraniërs, de Koeweiti en dergelijke, van Babylon is geen steen verwoest en de bouw, c.q. herbouw, vindt gestaag zijn voortgang!

 

De bijbel zegt dat Babylon in de toekomst nog (wederom) een kwalijke rol in de wereldpolitiek gaat spelen, zeker met betrekking tot de staat Israël en het volk Israël. Vele sekten verbinden hier zelfs een datum aan, maar daaraan zal ik me geenszins wagen. Feit is wel dat het een vreemd gevoel geeft om op die historische plaats te staan en dan te weten dat diezelfde plaats nog eens een hele kwalijke rol zal gaan spelen in de geschiedenis van de mensheid, zij het voor een korte en afgemeten tijd! Vele stenen waarmee het hedendaagse Babylon wordt opgebouwd hadden toen althans, aan de ene zijde de beeltenis van Saddam Hoessein en aan de andere zijde de beeltenis van Nebudkadnezar. Ik weet niet welke betekenis men hieraan moet hechten, maar Nebudkadnezar was ook al een aantal jaren ‘uitgerangeerd,’ hij was ‘knettergek’ geworden, maar kreeg toch weer het bevel en de macht terug in handen. Dus?

 

 

 

Babylon

 

 

Een hele dag heb ik hier vertoefd en alles in me ‘opgezogen,’ met diverse Irakese mensen gesproken en tot mijn grote verbazing waren er diverse hooggeplaatste lieden van verschillende regeringen en landen die deze plaats ook bezochten. Gewone toeristen waren er buiten Iraki’s niet, dus de buitenlanders die er waren gingen er domweg vanuit dat ik ook tot een af andere delegatie behoorde en spraken me dienovereenkomstig aan. Geloof me, daar weet ik ge(mis)bruik van te maken en ben derhalve best wel wat meer aan de weet gekomen. “Dus dames en heren Bilderbergers, Logeleden, Illuminatieleden en meer van dat ‘fraais,’ let op uw tellen! Uw geheimhouding is maar beperkt!” Een ding staat voor mij vast: vele regeringen en organisaties hebben en hadden ‘massa’s boter op hun hoofd’ ten aanzien van Saddam Hoessein en zijn ‘Baathkliek,’ ze waren allemaal goede vriendjes met hem totdat Bush. sr. (U.S.) enige tijd later antwoordde op de Irakese inval van Koeweit.

 

Afgezien van dat voor mij zo belangrijke Babylon was het toch best wel interessant Irak eens van dichtbij te bekijken. Voor de benzineprijs hoefde je het toen althans niet te laten. Elke keer als ik moest tanken kostte het 5 Dinar (dertig gulden) althans de officiële Dinarprijs, “ha ha.” Mij kostte het dus nog geen vijf gulden! en geloof me in die grote bak van een Ford konden aardig wat litertjes in.  Maar er werd ‘überhaupt’ niet naar de afgegeven hoeveelheid gekeken. Tanken was 5 dinar, punt uit!, hoeveel je ook tankte. Mensen met kleine autootjes die vol tankten zag ik ook slechts 5 dinar betalen, net zoals ‘dikke Amerikanen’ en/of Mercedessen. Geknoeid dat er werd, dat wil je niet weten! Je kon aan alles merken dat toen (!) benzine hoegenaamd niets waard was. Ik grapte dat de ‘limonaderekening’ van mijn dochter hoger was die dagen, dan de benzinerekening voor onze huurauto!

 

 

 

Schilderij: de hangende tuinen van Babylon van Martin Heemskerck

 

 

Later in Bagdad hebben we nog het Nationaal Historisch Museum bezocht en diverse monumenten en gebouwen uit de tijd van het Kalifaat, maar zoals gezegd van echte oudheden was er bitter weinig meer over. Voordeel was toen wel dat van opdringerigheid van verkopers, zoals ik gewend was in Arabische landen er niets te merken was. Dat was schijnbaar verboden door de regerende partij. Alhoewel het ‘regime van Saddam’ in naam socialistisch was, waren er toch alom eigen ondernemers en was winstoogmerk toch wel degelijk aan de orde.

 

Nare dingen, eerlijk is eerlijk, hebben we verder niet meegemaakt. De enkelingen waar we mee te spreken kwamen en die dus goed Engels of Frans konden spreken, waren allemaal pro-Saddam en ook was de sfeer op straat niet te vergelijken met bijvoorbeeld de sfeer, die zo dikwijls bedompt en bedrukt was in de Oostblok-staten. Maar ik heb uiteraard niet achter de schermen kunnen kijken, spreek amper Arabisch, lezen doe ik het sowieso al niet en het land was net zich aan het opkrabbelen van de narigheden die het resultaat waren van de oorlog met Iran. Overigens over het wegennet, niets dan lof. Naar Amman in Jordanië loopt bijvoorbeeld een grote 4- tot 6-baans autoweg en ook de treinen die ik gezien heb (toen) mochten er wezen. Wat wel een laatste opmerking waard is: Die autowegen en de vangrails met name, die waren gebouwd en gemaakt door Nederlandse bedrijven! Tja, geld stinkt niet he? Ook al zit er een beetje ‘bloed of olie aan!’

 

 

Silvia Videler.

 

Oktober 2006

 

Home