De gebroeders of de gezusters van…

 

Zomaar een gedachte aan toen!

 

 

Alom voorkomend en heel bekend. Zo was het vroeger in de Oranjeboompleinbuurt en ook elders. Er was haast geen straat, althans van enige lengte, die ze niet tot haar bewoners had. Twee, drie, soms vier broers en of zussen die met elkaar, na de dood van hun respectievelijke ouders, als het ware één gezin bleven vormen. De trouwlustigheid was aan deze mensen voorbij gegaan, of men zag er op andere manieren geen heil in. Over het hoe en waarom heb ik tot dusverre nog weinig kunnen lezen. Zeker en vast dat er zogenaamd wetenschappelijk onderzoek naar gedaan is, dat staat buiten kijf. Waar men al niet op kon en kan promoveren, dat is schier onuitputtelijk. Mogelijkheden te over.

 

Het was een gewoon en vrij algemeen en ook veel voorkomend verschijnsel in de jaren vijftig tot zestig en zeker ook daarvoor, dat enkele of in sommige gevallen alle kinderen van een ouderpaar na de dood van hun ouders bij elkaar bleven wonen. Liefst nog in het huis van hun overleden ouders. Was het bezitsvorming? Wie het weet mag het zeggen! In haast alle gevallen waren de ouders van deze bewuste vrijgezellen dan ook in de ‘gelukkige’ omstandigheid dat zij veelal tot hun dood thuis konden blijven wonen en thuis verzorgd werden. Meestal heel liefdevol volgens het bidprentje en de rouwadvertentie. De vraag dringt zich echter op of de keuze van een dergelijk vrijgezellenbestaan nou wel geheel en al vrijwillig was? Werd er wel of niet op ingepraat met betrekking tot deze keuze? Werd men toch niet gedwongen, respectievelijk onder druk gezet? Een antwoord hierop kan ik niet geven. Feit is wel dat ik diverse van deze broers- en zussenkoppels in de loop der jaren gekend heb en dat zij ook ná het overlijden van hun ouders toch geen van allen de huwelijkse staat verkozen, maar ‘bij elkaar’ bleven.

 

Dat een dergelijk bestaan zou worden ingegeven door (r.k.) religieuze redenen kan ik ook niet beweren. Ik kende diverse voorbeelden van dergelijke ‘gezinnen’ die toch echt niet zo vroom waren. Aan de Haagweg, iets voorbij café Pas Buiten en IJzerhandel Poorts en Drogisterij Brockx, had je de slijterij van de dames van Vugt. Ongehuwde zussen die samen een slijterij dreven! Nou toch niet bepaald een stiel waar de religie van afdruipt. Mijn excuses bij voorbaat als ik eventueel een naam niet helemaal correct schrijf. U hoeft me niet te mailen of iets dergelijks. Ik moet putten uit m’n geheugen en een research met vele telefoongesprekken alvorens ik iets ga schrijven is me toch net iets teveel. Dit was mij wel dringend geadviseerd door sommigen, omdat ik een naam niet goed had weergegeven. Maar dit verder terzijde. Een eindje verder richting het centrum en nog net op de Nieuwe Haagdijk had je de huishoudelijke artikelen winkel van de Drie Gezusters. Een soort van voorloper van de hedendaagse Blokker.

 

In onze eigen Oranjeboomstraat even voorbij de familie Wittenbols of wellicht woonde zij er zelfs naast: de familie Baars. Een wat oudere heer met twee dochters, beiden toen al uitermate middelbaar én ongehuwd! Bij mijn weten zijn de beide dames ook na de dood van hun vader bij elkaar blijven wonen. In gemengde vorm kwam dat broeder- en zustergezin ook voor. Ik heb er zelfs een heel verhaal aan gewijd. De familie Vriends, die een oude boerderij bewoonde in de Scheldestraat recht tegenover het Westeinde. Drie broers en één zuster vormden samen het ‘gezin.’ Zo waren er overigens veel meer, namen wil ik verder niet noemen omdat ik van die anderen, die ik ook kende, toch wel vond soms dat ze een beetje ‘anders’ waren dan anderen.

 

Nimmer kon en ook achteraf kan ik het niet, de vinger leggen, waarop of waarom ze dan anders waren. In de ogen van mij en ons en met ons bedoel ik: de andere kinderen met wie je zoal speelde, waren het toch vreemde mensen. Misschien wel wereldvreemd! Teruggetrokken, niet meedoende aan het leven in de buurt. Ze hielden zich als het ware schuil. In ieder geval afzijdig. Ze hadden ook unaniem een afkeer van kinderen. Althans in de bejegening die ons als kinderen te beurt viel, kon je niet bepaald opmaken dat het grote kindervrienden waren. Dat dit een wisselwerking ten gevolge had liet zich raden. Zeker in het geval van wat kribbige oudere dames, was het voor ons een ideale uitdaging te controleren of de voordeurbel het nog wel deed.

 

Tot mijn schande moet ik erkennen dat het woord heks door ons als kinderen in die dagen toch veelvuldig is gebruikt. En waarom? Omdat die mensen anders waren dan de meerderheid? Niet dat wij hierin werden gestimuleerd door onze ouders, geenszins, zelfs integendeel. Maar je kunt nu achteraf begrijpen hoe in vroeger eeuwen alleenstaanden en wat wereldvreemde mensen al gauw tot heks ‘gepromoveerd’ werden, daar de kinderen toen nog niet geremd werden door hun al even domme ouders. Achteraf concluderend wil ik toch stellen, zonder gehinderd te worden door echte kennis van zaken betreffende de mensen die ik vernoemd heb en die ik niet vernoemd heb, dat zij in het algemeen genomen niet meer of minder gelukkiger waren, dan zij die wel zoals de meeste mensen toen in een huwelijksverband leefden.

 

Of het vrijwillig was of niet, maar bewust kiezende voor een vrijgezellenbestaan, kwam in die tijd in ieder geval veel en veel meer voor dan tegenwoordig. Wat mij altijd gefrappeerd heeft: je kon het aan de mensen zien, zien dat ze vrijgezel waren. Of het hun houding of hun gelaatsuitdrukking was, ik kan het niet zeggen. Maar het was wel te zien. Een fenomeen wat je nu heden ten dage niet meer kan stellen. Daarvoor is onze hedendaagse samenleving een te grote mix geworden van allerlei slag mensen, geaardheden en voorkeuren.

 

 

Silvia Videler.

 

Juni 2007

 

Home

 

stats count

 

 

 

 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN