Verslag van een dagje in een Haagse buurt.

 

 

Zelden, heel zelden kom ik in die stad van ambtenaren, grote ministeries, ambassades en andere mij onvriendelijke instellingen. Familie heb ik er al jaren niet meer en mijn ‘directe contacten’ met het Haagse Binnenhof zijn dus ook uitermate miniem te noemen.

 

Toch bracht een semi-zakelijke afspraak mij deze week naar de Hofstad en ik besloot, zoals ik vaak pleeg te doen, het nuttige maar eens met het aangename te verenigen. Zeker nu ik in Den Haag moest zijn, die stad kende ik vrij goed, zij het van lang geleden. In de Atjehstraat woonde ooit eens een oudtante van mij en ik kende nog wat oude kennissen uit mijn vroegere werksfeer die in de buurt van Scheveningen woonachtig waren. Dat contact met die mensen was inmiddels gereduceerd tot jaarlijks een nieuwjaarskaartje of verjaardagsgroet per post. Maar we hadden nooit herrie gehad en ik besloot, nu ik er toch was, eens een voormalige collega te bellen.

 

Dat werd een allerhartelijkst telefoontje en voor ik het wist was mijn hele vrije middag én avond al gepland. Mijn oudcollega had goed ‘geboerd’ en woonde in een vrij statige en chique wijk en alhoewel jaloersheid gelukkig geen al te grote nare eigenschap van mij is, vroeg ik me toch af hoe hij een dergelijk pand kon bewonen in zó een dure en prestigieuze wijk.

 

Erg veel anders dan ik, had hij het toch niet gedaan en ook onze ‘maandelijkse bijschrijvingen’ voor geleverde arbeid zullen elkaar toch niet al teveel ontlopen hebben.

 

Eenmaal in zijn ruime woonkamer gezeten met hoog plafond en allerlei ornamenten, kon ik het niet nalaten te vragen of hij de hoofdprijs had gewonnen in de staatsloterij of iets dergelijks? Maar nee, noch een hoofdprijs noch een rijke oude oom of tante hadden hem wat nagelaten en zijn vrouw was nog immer de lieve en aardige metgezellin van vele jaren terug die groot was geworden in, wat nú een volkswijk wordt genoemd.

 

Bij het aanhoren van de koopsom van dit optrekje leek het toch even dat ik hem niet goed verstaan had, maar toch het bedrag wat hij noemde, stond in geen enkele verhouding tot de prijzen van panden enkele straten verder in dezelfde wijk, die soms voor één miljoen euro’s weggingen of meer.

 

De vorige eigenaar, een welgestelde man uit zogenaamd gegoede klasse met veel ‘oud geld’ was in wezen weggevlucht en had zijn huis aan mijn vroegere collega voor een schijntje van de werkelijke waarde verkocht én erbij verteld waarom hij het zo goedkoop van de hand deed.

 

De reden was: “de buren!” De buren bleken van zeer gegoede klasse te zijn, althans in het land van oorsprong, ergens ver weg in de ‘bush’ van Afrika.

‘Mijnheer’ was zelfs ambassadeur in onze hofstad en de ambassade van dit kleurrijke en volkrijke Afrikaanse land, had indertijd ook het pand aangekocht aan de andere zijde waar nu mijn oud-collega woonde, maar toen nog de gesoigneerde Haagse heer, die het huis uiteindelijk verkocht heeft aan mijn oud-collega. In dat andere huis, woonde inmiddels nu een niet nader te definiëren, zeer groot aantal, zwarte Afrikanen die allemaal een of andere taak hadden op de ambassade, die elders in Den Haag was gelegen. De halve straat stond altijd vol met geparkeerde auto’s, bijna uitsluitend met C.D.-nummerborden en die kunnen parkeren zoals hen goeddunkt en dát werd dan ook alom gedaan! Ik zat nog geen kwartier achter een goed glas en werd opgeschrikt door Afrikaanse oerwoudgeluiden en tamtamsignalen en dit ondanks de toch vrij dikke muren van de al wat oudere herenhuizen. Het moet de negroïde buurtbewoners erg hebben gespeten dat mijn ex-collega daar toch nog steeds woonde en dat zij niet dóór zijn huis naar het huis van hun grote baas konden lopen en dit over en weer.

Vanuit mijn gemakkelijke stoel zag ik letterlijk om de paar minuten een groot aantal  Afrikaanse mensen: mannen, vrouwen én kinderen over en weer lopen en door de voortuinen heen, ja, dus ook dóór de voortuin van mijn gastheer.

Die had al twee jaar geleden besloten er maar niets meer in te laten groeien, want alles werd simpelweg platgetrapt en de opgetrommelde politie had iets gemompeld van diplomatieke onschendbaarheid en problemen op het hoogste niveau. Kortom, ze waren allengs vertrokken om nooit meer terug te komen. Ook niet voor de vele vuilniszakken met poepluiers die over de schuttingen waren gedonderd en bij mijn voormalige collega en zodoende in zijn tuin waren beland.

 

Zelfs niet toen een ander pand in dezelfde straat ook in handen viel van deze kleurrijke lieden en toen bleek dat dit pand tevens als een moskee, koffiehuis, winkeltje van ‘sinkeltje’ en toevluchtsoord werd gebruikt. Ook toen bleek de politie weinig trek te hebben dit gebeuren eens wat nader te inspecteren. Tja, wat moet je ook met zoveel C.D.-auto’s voor dié deur. Al de bonnen die je daarvoor uitschrijft worden toch niet gehonoreerd en worden derhalve ook niet bijgeteld bij het minimaal te behalen quotum van de plaatselijke ‘Hermandad.’

 

Inmiddels was volgens mijn gastheer de chique en statige en al wat oudere Haagse straat verworden tot een Afrikaanse boulevard. Alleen de palmbomen ontbraken nog, maar met enig gevoel voor cynisme en realiteit verwacht hij dat dit de komende decennia wellicht ook nog gaat gebeuren, als de klimaatverandering door blijft zetten.

 

Mijn oude vriend vroeg hoe de woon- en leefsituatie in mijn, veel minder dure buurt, op dit ogenblik was en hoe ik nu woonde. Geheel naar waarheid vertelde ik hem hoe de al wat oudere nieuwbouwwijk was gegroeid. Ik vertelde hem over het moderne en ruime, net vernieuwde winkelcentrum en wees hem op het feit dat het aantal vreemdelingen nog niet de 15 procent had bereikt.

Ook strooide ik zowat prijzen rond van de diverse huizen die men heden ten dage gemiddeld dient te betalen en ik voerde mijn buren ten tonele, die geen van allen mijn directe vrienden zijn, maar die toch wel over en weer pakjes voor elkaar aanpakken, elkaar vriendelijk begroeten en bij tijd en wijle ook weleens bij elkaar op de koffie komen zonder elkaar te overlopen. Toen ik ook nog wist te melden dat de politie bij mijn weten best weleens door onze wijk zal rijden, maar dat ik me eigenlijk het feitelijk niet meer echt kon herinneren, wanneer ik ze voor het laatst gezien had. Toen vroeg hij mij of ik in een villawijk woonachtig was?

Het antwoord hierop, was dus een driewerf neen. De huizen kosten niks meer of minder dan in welke andere gewone wijk dan ook. Maar dergelijke hooggeplaatste en dure buren als ambassadeurs en ambassaderaden, attachés, consuls en dergelijke, neen die heb ik dus niet! De ene is slechts boekhouder, de andere werkt bij het vroegere GAK, de volgende is een kleine aannemer en er is ook een WAO-er bij! Maar bij ons het tenminste rustig om een uur of negen ’s avonds. Daar in die chique wijk van Den Haag gaan tegen die tijd de bassen van de disco’s en de trommels van de tamtam pas echt op volle sterkte tekeer. Tot het moment dat er weer eens gebeden moet worden. Daar mag mijn oude collega dan ook vijf keer per dag van meegenieten.

 

Toch nog blij dat ik in een gewone buurt woon!

 

Silvia Videler.

 

April 2007

 

Home

 

stats count

 

 

 

BREDA-EN-ALLES-DAAROMHEEN